Getypte brief (doorslag/kopie).
Origineel
Getypte brief (doorslag/kopie). 28 Maart 1940. De Directeur (waarschijnlijk van een gemeentelijke dienst in Amsterdam). ter. M. Müller
VP/HG. extra
72/19/2 M.
28 Maart 1940.
den Heer Secretaris van den
Reclasseeringsraad
te
V E E N H U I Z E N .
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 26 dezer (No.R.O. 1786) heb ik de eer U te berichten, dat, blijkens de administratie van mijn dienst, Johannes Franciscus Post, geboren te Amsterdam op 18 Mei 1911, nimmer in het bezit van een ventvergunning is geweest. Het is daarom geenszins zeker, dat hij thans voor een dergelijke vergunning in aanmerking zal kunnen komen. Een aanvraag daartoe moet eventueel worden gericht tot den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Raadhuis Alhier. Aanvragen worden in het algemeen slechts ingewilligd, indien de belanghebbende aannemelijk kan maken, dat hij reeds omstreeks September 1933 van het venten hier ter stede zijn beroep maakte, terwijl hij voorts een geldige reden moet kunnen aanvoeren, waarom hij de vergunning niet eerder, dat wil zeggen niet vóór 1 Januari 1935 heeft aangevraagd. Tenslotte diene, dat aanvragen als vorenbedoeld na 1 Juni a.s. in geen geval meer in behandeling zullen worden genomen.
De Directeur, Deze brief is een formeel antwoord op een informatieverzoek van de Reclasseringsraad te Veenhuizen. De Reclasseringsraad vroeg waarschijnlijk informatie op over de achtergrond van Johannes Franciscus Post, mogelijk in het kader van een re-integratietraject of een verzoek om ondersteuning bij het vinden van werk.
De inhoud onthult het strikte beleid rondom ventvergunningen (straatverkoop) in die tijd. De directeur geeft aan dat de heer Post nooit een vergunning heeft gehad en schetst de zware criteria om er nu nog een te bemachtigen: men moest al jarenlang (sinds 1933) als venter werkzaam zijn en een goede reden hebben voor een verlate aanvraag. Bovendien wordt er een harde stopdatum genoemd (1 juni 1940) waarna geen aanvragen meer worden geaccepteerd. Dit wijst op een beleid van de gemeente (vermoedelijk Amsterdam, gezien de referentie naar het "Raadhuis Alhier" en de geboorteplaats van Post) om het aantal straatverkopers drastisch in te perken of te bevriezen. De datum van de brief, 28 maart 1940, is saillant: het is slechts zes weken voor de Duitse inval in Nederland. De sociaaleconomische omstandigheden waren in deze periode gespannen. Veenhuizen stond bekend om de Rijkswerkinrichtingen, waar onder andere bedelaars en landlopers werden ondergebracht voor "heropvoeding door arbeid". Dat de Reclasseringsraad daar gevestigd is, suggereert dat de heer Post mogelijk een verleden had in een van deze inrichtingen en nu probeerde via de legale weg als venter aan de slag te gaan.
De strenge regelgeving voor venters was een uitvloeisel van de economische crisis in de jaren dertig. Om de gevestigde winkeliers te beschermen tegen de concurrentie van de vele werklozen die op straat hun waren probeerden te verkopen, voerden gemeenten stringente vergunningsstelsels in. De "Wethouder voor de Levensmiddelen" was in Amsterdam verantwoordelijk voor dit beleid. De handgeschreven naam "M. Müller" bovenin zou kunnen verwijzen naar de ambtenaar die de zaak behandelde.