Officiële brief/correspondentie.
Origineel
Officiële brief/correspondentie. 16 Mei 1940. De Directeur (vermoedelijk van een gemeentelijke dienst in Amsterdam). [Handgeschreven, rechtsboven:]
ter. Mr. de Raas
ter. Fr. Müller
[Getypt:]
VP/DV. [Handgeschreven:] extra
72/38/2 M.
16 Mei 1940.
den Heer M. Blitz,
Rapenburgerstraat 98 I,
Amsterdam-C.
Wijk 2.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 8 dezer bericht ik U, dat de U verleende ventvergunning dient te worden verlengd zoodra U haar voor het uitoefenen van Uw ventersberoep wederom noodig heeft.
De Directeur, Deze brief is een zakelijke mededeling van een Amsterdamse overheidsinstantie aan de heer M. Blitz. De kern van de boodschap is dat de heer Blitz zijn ventvergunning (een vergunning om goederen op straat te verkopen) moet laten verlengen zodra hij deze weer nodig heeft voor de uitoefening van zijn beroep.
Het document bevat diverse administratieve kenmerken:
* Dossiernummers: "72/38/2 M." en "VP/DV" dienden voor de interne archivering.
* Handgeschreven namen: "Mr. de Raas" en "Fr. Müller" zijn waarschijnlijk namen van ambtenaren die de brief hebben behandeld of ter inzage hebben gekregen.
* Annotatie: Het handgeschreven woord "extra" suggereert een vorm van prioriteit of een specifieke behandeling van dit dossier.
De toon is strikt formeel en bureaucratisch, kenmerkend voor overheidscommunicatie uit die periode. De datum van deze brief, 16 mei 1940, is historisch zeer beladen. De brief is gedateerd slechts één dag na de officiële capitulatie van de Nederlandse strijdkrachten (15 mei 1940) en zes dagen na de Duitse inval. Terwijl de stad Amsterdam onder de eerste dagen van de Duitse bezetting valt, gaat de gemeentelijke bureaucratie schijnbaar onverstoord door met de afhandeling van alledaagse zaken zoals ventvergunningen.
De geadresseerde, de heer M. Blitz, woonde in de Rapenburgerstraat. Dit was een centrale straat in de Joodse buurt van Amsterdam. Voor veel Joodse Amsterdammers uit de arbeidersklasse was het beroep van straatventer een belangrijke bron van inkomsten. Deze brief documenteert een moment waarop de bureaucratische processen nog "normaal" lijken te verlopen, kort voordat de bezetter begon met het invoeren van anti-Joodse maatregelen die het leven en de beroepsuitoefening van mensen zoals de heer Blitz onmogelijk zouden maken. C.