Getypt rapport met handgeschreven kanttekeningen en parafen.
Origineel
Getypt rapport met handgeschreven kanttekeningen en parafen. 12 maart 1941 (met administratieve verwerking tot 20 maart 1941). [Links boven, handgeschreven/stempel:] Nº 2B/20/1
[Rechts boven, handgeschreven/stempel:] M. 1941 15/3
R A P P O R T
J,C. Icke, oud 62 jaar en wonende Marnixstraat 329 alhier, verzoekt om een erkenning als kleinhandelaar in groenten en fruit. Hij verklaart van 1934 tot 1939 als expediteur voor de betrokken groot en kleinhandel werkzaam te zijn geweest. Van 1936 tot 1938 heeft hij toegang gehad tot de Centrale Markt als personeel van de N.V. Prisen en Icke-expediteurs. Nadien heeft hij geen toegang meer gehad. Bij onderzoek is mij, rapporteur gebleken, dat Icke in de hierboven genoemden tijd, noch daarvoor, nimmer als groothandelaar of ~~als~~ kleinhandelaar of ook als personeel in de betrokken handel werkzaam is geweest. Naar hij mij verklaarde treedt hij sedert October ~~194#~~ 1940 op als filiaalhouder voor kooper M. Koekenbier. Laatstgenoemde heeft een vaste standplaats op de dagmarkt in de Alb: Cuypstraat en is in het bezit van een kleinhandels erkenning onder K.49434.
Op 15 October 1940 is aan Icke een voorkeurskaart uitgereikt voor een plaats op de dagmarkt aan het Dapperplein, terwijl hem met ingang van 20 Januari 1941 aldaar een vaste plaats is toegekend voor de verkoop van aardappelen. Waar hij echter geen toegang heeft tot de Centrale Markt en evenmin is aangesloten bij de stichting "Centraal Belang", kan hij zelf geen aardappelen koopen. Naar hij voorts verklaarde worden deze hem door M. Koekenbier geleverd. Voor zoover door mij kan worden beoordeeld heeft Icke de vragen van zijn invulformulier naar waarheid beantwoord,
[Links onder:]
Den Heer Bedrijfschef
v/h Marktwezen.
[Paraaf: vs]
[Rechts onder:]
Amsterdam 12 Maart 1941
Controleur,
[Signatuur: F. Elthion]
[Handgeschreven notitie rechts:]
Doorgezonden 20/3-1941 [Paraaf]
[Handgeschreven notitie onderaan:]
Vragenlijst stempelen en doorzenden naar Den Haag [Paraaf] 18/3 ’41
[Grote rode diagonale strepen over het document als teken van afhandeling] Dit document is een ambtelijk rapport van de Amsterdamse controleur van het Marktwezen betreffende de aanvraag van de 62-jarige J.C. Icke voor een officiële erkenning als kleinhandelaar. De kernpunten zijn:
- Arbeidsverleden: Icke werkte voorheen als expediteur (transporteur) voor de groentehandel, maar was zelf nooit officieel handelaar. De rapporteur onderstreept "nimmer" om aan te geven dat Icke geen historisch recht op een vergunning heeft op basis van eigen ondernemerschap vóór de oorlog.
- Huidige situatie: Sinds oktober 1940 werkt hij als "filiaalhouder" (een soort zetbaas) voor een erkende koopman, M. Koekenbier, die een vaste plek heeft op de Albert Cuypmarkt.
- Huidige vergunning: Icke heeft zelf inmiddels een vaste standplaats voor aardappelen op de Dappermarkt gekregen.
- Inkoopbeperkingen: Hoewel hij een standplaats heeft, mag hij niet zelf inkopen op de Centrale Markt omdat hij niet is aangesloten bij de stichting "Centraal Belang". Hij is voor zijn handel dus volledig afhankelijk van de leveringen door Koekenbier.
-
Conclusie: De controleur bevestigt dat Icke de vragen naar waarheid heeft ingevuld en adviseert de vragenlijst door te sturen naar Den Haag voor verdere afhandeling. Het document dateert van maart 1941, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode werd de economie steeds strakker gereguleerd via een distributiesysteem en verplichte lidmaatschappen van brancheorganisaties.
-
Centraal Belang: Dit was een organisatie die tijdens de bezetting een cruciale rol speelde in de regulering en distributie van voedsel (in dit geval aardappelen, groenten en fruit). Zonder lidmaatschap had een handelaar geen toegang tot de groothandel (de Centrale Markt).
- Vestigingswetgeving: De bezetter en de Nederlandse bureaucratie hanteerden strenge regels voor wie een bedrijf mocht starten of voortzetten, deels om de schaarse goederenstroom te beheersen.
- Bureaucratische weg: De opmerking "doorzenden naar Den Haag" wijst op de centralisatie van het beleid onder toezicht van de Rijkscommissariaten of de departementen die onder Duits toezicht stonden. Het document illustreert de bureaucratische hindernissen waar kleine zelfstandigen in oorlogstijd mee te maken kregen om hun brood te kunnen verdienen.