Archief 745
Inventaris 745-367
Pagina 93
Dossier 93
Jaar 1941
Stadsarchief

Getypte rapportpagina (pagina 2).

Niet expliciet vermeld op deze pagina, maar op basis van spelling en inhoud (Zuiderzeewerken, Zuidwestelijke polder) te dateren in de jaren '30 of vroege jaren '40 van de 20e eeuw.

Origineel

Getypte rapportpagina (pagina 2). Niet expliciet vermeld op deze pagina, maar op basis van spelling en inhoud (Zuiderzeewerken, Zuidwestelijke polder) te dateren in de jaren '30 of vroege jaren '40 van de 20e eeuw. [Pagina -2-]

ontbreken van een doorgaand randkanaal langs de Noordhollandsche kust, één door een polderkanaal van Edam naar Oosterleek.
Ten aanzien van het middenkanaal neemt onze Commissie er kennis van, dat het zal worden ingericht voor de grootste schepen, die het Ysselmeer bevaren, terwyl aan het Noordelyk einde schut- en uitwateringssluizen zullen worden gemaakt.
Het gekozen tracé van het middenkanaal is voor de schepen in de Kamper-, Schokker- en Lemstervaart in het algemeen niet ongunstig. Alleen kan, vooral voor kleine schepen, de route van de Houtrib naar Lemmer by harden wind uit Westelyke richtingen het bezwaar opleveren, dat men spoedig aan lager wal (op den dyk van den Noordoostelyken polder) raakt; thans kiezen deze schepen gewoonlyk hun weg onder de Hollandsche kust langs en door het Krabbersgat om dan den oversteek naar Lemmer te ondernemen. By de bespreking van den vaarweg Edam-Oosterleek komt de Commissie hierop terug. Het groote belang van den vaarweg van Amsterdam naar de Noordelyke provinciën en de omstandigheid, dat by den aanleg van den vaarweg Lemmer-Groningen in de toekomst op het 2000-tons-schip gerekend wordt, maken het volgens de Commissie vanzelfsprekend, dat onder inrichting van het middenkanaal voor de grootste schepen, die het Ysselmeer bevaren, verstaan wordt de inrichting voor 2000-tons-schepen. Het profiel en de kunstwerken van het kanaal moeten haars inziens voldoen aan de eischen, die met betrekking tot de vaart met zulke schepen gesteld worden. 1) In dit verband zou de Commissie gaarne vernemen, welke afmetingen de naby het Noordelyk uiteinde van het kanaal geprojecteerde sluizen zullen verkrygen.
Met het oog op den omvang van het te verwachten verkeer en om opstoppingen op bepaalde dagen en op bepaalde uren van den dag te voorkomen, is de Commissie van meening, dat op de bedoelde plaats in ieder geval een dubbele sluis vereischt is, met de mogelykheid om zoo noodig een derde sluis by te bouwen. De Commissie acht het noodzakelyk, dat van Amsterdam naar het Noorden, waar van oudsher over de Zuiderzee een vaart zonder belemmeringen mogelyk was, één open vaarweg behouden blyft, waarop dus met onbeperkte doorvaarthoogte kan worden gevaren. Ten einde de overlast, die water- en landverkeer elkaar by een kruising aandoen, zooveel mogelyk te beperken meent de Commissie, dat de bruggen over het kanaal een vrye doorvaarthoogte van 7 m boven een hoogen waterstand en een beweegbaar gedeelte moeten hebben. De op dit vaarwater gebruikte passagiersschepen, welker hoogste punt, wanneer zy niet beladen zyn, op 6,75 m boven water ligt, kunnen by die hoogte de bruggen dus in gesloten toestand passeeren. Het verdient naar de meening der Commissie aanbeveling te onderzoeken, of in dit geval, waar het maaiveld der polders ongeveer 4 m beneden den waterspiegel van het kanaal ligt, niet aan een oplossing, waarby het landverkeer door middel van tunnels onder het kanaal door geleid wordt, de voorkeur gegeven moet worden boven het bouwen van hooge bruggen met lange opritten. Zou een brug naby de sluizen aan het Noordelyk einde van het kanaal gebouwd moeten worden, dan zou het voor de hand liggen, deze brug met het oog op de belangen der zeilvaart aan de binnenzijde der sluizen te leggen en op eenigen afstand van deze sluizen.

De Commissie komt thans tot het in den Zuidwestelyken polder tusschen Edam en Oosterleek ontworpen 600-tons kanaal. Zy is van meening, dat dit kanaal – nu geen randkanaal langs de Noordhollandsche kust tot stand zal komen – een belangryke vaarweg zal worden en dit zal blyven, ook na het gereedkomen van den nieuwen vaarweg Groningen-Lemmer. De doorgaande scheepvaart naar Enkhuizen en Stavoren, de scheepvaart van den Zuidwestelyken polder zelf, alsmede een deel van de scheepvaart naar Lemmer – de laatste met het oog op de bezwaren van de route over de Houtrib, die hieronder klemmend zullen zyn in de lange reeks van jaren waarin het middenkanaal nog niet gereed is – zullen van het kanaal Edam-Oosterleek gebruik maken.

1) Met voldoening heeft de Commissie in de, haar na het vaststellen van deze beschouwingen door het Hoofd van den Dienst der Zuiderzeewerken ter beschikking gestelde, Beschryving van het Algemeen Plan voor den Zuidwestelyken polder gelezen, dat het Middenkanaal inderdaad voor 2000-tons schepen zal worden ingericht.

[Linksonder:]
Dienst P.W.
Amsterdam. * Taalgebruik: Het document is opgesteld in het Nederlands van vóór de spelling-Marchant (1947), herkenbaar aan woorden als Noordelyk, belangryke, vrye en Ysselmeer. De toon is formeel, ambtelijk en adviserend.
* Technische aspecten: Er wordt gesproken over de schaalvergroting in de binnenvaart (de overgang naar 2000-tons schepen) en de noodzaak om infrastructuur (sluizen en kanalen) hierop aan te passen.
* Infrastructuur: De Commissie pleit voor een doorgaande open vaarweg zonder hoogtebeperkingen vanaf Amsterdam naar het Noorden. Opmerkelijk is de vroege suggestie voor tunnels onder kanalen als alternatief voor hoge bruggen met lange opritten, ingegeven door het feit dat het polderland (maaiveld) dieper ligt dan het kanaalpeil.
* Locatie: De focus ligt op de "Zuidwestelyke polder". Dit is de Markerwaard, die volgens het plan-Lely de vierde grote polder in de Zuiderzeewerken had moeten worden, maar die uiteindelijk nooit volledig is ingepolderd. Dit document maakt deel uit van de uitgebreide besluitvorming rondom de Zuiderzeewerken. In de periode dat dit rapport werd geschreven, was de Noordoostpolder (hier genoemd als reeds bestaand of in aanleg) in ontwikkeling en werden de plannen voor de Markerwaard (de Zuidwestelijke polder) technisch uitgewerkt.

De discussie over het "middenkanaal" en de verbinding Edam-Oosterleek toont aan hoe cruciaal de bereikbaarheid van Amsterdam voor de noordelijke provincies werd geacht. Het document weerspiegelt de spanning tussen de belangen van de landbouw (nieuwe polders) en de scheepvaart (behoud van veilige en diepe vaarwegen). De vermelding van het "Krabbersgat" bij Enkhuizen en de route naar Lemmer benadrukt de historische gevaren van de Zuiderzee voor de kleine vaart, met name bij westenwind (lager wal). Het plan voor de Markerwaard werd uiteindelijk in de jaren '80 definitief gestaakt, waardoor de hier besproken kanalen en sluizen in deze vorm nooit zijn gerealiseerd.

Samenvatting

  • Taalgebruik: Het document is opgesteld in het Nederlands van vóór de spelling-Marchant (1947), herkenbaar aan woorden als Noordelyk, belangryke, vrye en Ysselmeer. De toon is formeel, ambtelijk en adviserend.
  • Technische aspecten: Er wordt gesproken over de schaalvergroting in de binnenvaart (de overgang naar 2000-tons schepen) en de noodzaak om infrastructuur (sluizen en kanalen) hierop aan te passen.
  • Infrastructuur: De Commissie pleit voor een doorgaande open vaarweg zonder hoogtebeperkingen vanaf Amsterdam naar het Noorden. Opmerkelijk is de vroege suggestie voor tunnels onder kanalen als alternatief voor hoge bruggen met lange opritten, ingegeven door het feit dat het polderland (maaiveld) dieper ligt dan het kanaalpeil.
  • Locatie: De focus ligt op de "Zuidwestelyke polder". Dit is de Markerwaard, die volgens het plan-Lely de vierde grote polder in de Zuiderzeewerken had moeten worden, maar die uiteindelijk nooit volledig is ingepolderd.

Historische Context

Dit document maakt deel uit van de uitgebreide besluitvorming rondom de Zuiderzeewerken. In de periode dat dit rapport werd geschreven, was de Noordoostpolder (hier genoemd als reeds bestaand of in aanleg) in ontwikkeling en werden de plannen voor de Markerwaard (de Zuidwestelijke polder) technisch uitgewerkt.

De discussie over het "middenkanaal" en de verbinding Edam-Oosterleek toont aan hoe cruciaal de bereikbaarheid van Amsterdam voor de noordelijke provincies werd geacht. Het document weerspiegelt de spanning tussen de belangen van de landbouw (nieuwe polders) en de scheepvaart (behoud van veilige en diepe vaarwegen). De vermelding van het "Krabbersgat" bij Enkhuizen en de route naar Lemmer benadrukt de historische gevaren van de Zuiderzee voor de kleine vaart, met name bij westenwind (lager wal). Het plan voor de Markerwaard werd uiteindelijk in de jaren '80 definitief gestaakt, waardoor de hier besproken kanalen en sluizen in deze vorm nooit zijn gerealiseerd.

Locaties

De focus ligt op de "Zuidwestelyke polder". Dit is de Markerwaard die volgens het plan-Lely de vierde grote polder in de Zuiderzeewerken had moeten worden maar die uiteindelijk nooit volledig is ingepolderd.