Archief 745
Inventaris 745-373
Pagina 404
Dossier 29
Jaar 1942
Stadsarchief

Archiefdocument

Oktober 1942 (gezien de aantekeningen van 7-10-42 en 13-10-42) Van: P. Speelman, Waterlooplein 84 II, Amsterdam Aan: De Inspecteur der Marktwezen, Amsterdam

Origineel

Oktober 1942 (gezien de aantekeningen van 7-10-42 en 13-10-42) P. Speelman, Waterlooplein 84 II, Amsterdam De Inspecteur der Marktwezen, Amsterdam [Stempel en pen in blauw/paars:] Nº 20/29/1 M. 1942 13/10

[Hoofdtekst in groene inkt:]
Aan den Inspecteur der Marktwezen
Amsterdam.

WelEdHeer

Daar ik ruim 40 jaren onafgebroken
op een Markt bent gestaan. en ik met
mijn artikelen niet op een Joodse markt
mocht staan en ik in het kamp bent
geweest. en afgekeurd bent. zoo vraag
ik UEd. beleefd nu weer op een Joodse
Markt te staan met levensbehoeften

Bij voorbaat mijn dank
Hoogachtend
P. Speelman
Waterlooplein 84 II
A.dam

[Aantekening in potlood/donkere inkt doorheen de tekst:]
afwijzen
7-10-42
[paraaf]

[Aantekening onderaan in donkere inkt:]
N.a.v. uw brief
ingekomen op 7 dezer
deel ik u mede, dat
aan het daarin vervatte verzoek
niet kan worden voldaan.
[paraaf]
20/29/2 In deze brief verzoekt P. Speelman, een ervaren marktkoopman die al veertig jaar zijn beroep uitoefent, om toestemming om weer op een "Joodse markt" te mogen staan met levensbehoeften. De brief is aangrijpend door de zakelijke maar wanhopige toon. Speelman geeft aan dat hij in "het kamp" (waarschijnlijk kamp Westerbork) is geweest, maar daar is "afgekeurd". Dit duidt er waarschijnlijk op dat hij vanwege zijn leeftijd of gezondheid niet geschikt werd bevonden voor dwangarbeid of transport naar het Oosten, en daarom (tijdelijk) was vrijgelaten of teruggestuurd.

Zijn verzoek om weer te mogen werken om in zijn levensonderhoud te voorzien, wordt door de ambtenarij van het Marktwezen resoluut en zonder opgaaf van redenen afgewezen, zoals blijkt uit de krabbel "afwijzen" en de daaropvolgende formele concepttekst onderaan de brief. Dit document stamt uit oktober 1942, een dieptepunt in de vervolging van de Joodse bevolking in Amsterdam tijdens de Duitse bezetting. Vanaf 1941 werden Joodse marktkooplieden steeds verder beperkt in hun bewegingsvrijheid. Zij mochten niet meer op de reguliere markten staan en werden verbannen naar specifiek aangewezen "Joodse markten" (zoals op het Waterlooplein, de Gaaspstraat en het Joubertplein), waar zij ook alleen aan Joodse klanten mochten verkopen.

De vermelding van het "kamp" is veelzeggend. In de zomer van 1942 begonnen de grootschalige deportaties naar Westerbork en verder naar de vernietigingskampen. Sommige mensen werden echter in eerste instantie teruggestuurd of vrijgesteld van transport op basis van medische gronden ("afgekeurd"). Voor deze mensen was de situatie in de stad echter onhoudbaar: zij hadden vaak geen inkomsten meer en waren volledig afhankelijk van de grillen van de bezetter en de meewerkende gemeentelijke instanties, zoals hier de Inspecteur der Marktwezen. De bureaucratische afwijzing van zijn verzoek om "levensbehoeften" te verkopen was in feite een veroordeling tot verdere armoede en onzekerheid.

Samenvatting

In deze brief verzoekt P. Speelman, een ervaren marktkoopman die al veertig jaar zijn beroep uitoefent, om toestemming om weer op een "Joodse markt" te mogen staan met levensbehoeften. De brief is aangrijpend door de zakelijke maar wanhopige toon. Speelman geeft aan dat hij in "het kamp" (waarschijnlijk kamp Westerbork) is geweest, maar daar is "afgekeurd". Dit duidt er waarschijnlijk op dat hij vanwege zijn leeftijd of gezondheid niet geschikt werd bevonden voor dwangarbeid of transport naar het Oosten, en daarom (tijdelijk) was vrijgelaten of teruggestuurd.

Zijn verzoek om weer te mogen werken om in zijn levensonderhoud te voorzien, wordt door de ambtenarij van het Marktwezen resoluut en zonder opgaaf van redenen afgewezen, zoals blijkt uit de krabbel "afwijzen" en de daaropvolgende formele concepttekst onderaan de brief.

Historische Context

Dit document stamt uit oktober 1942, een dieptepunt in de vervolging van de Joodse bevolking in Amsterdam tijdens de Duitse bezetting. Vanaf 1941 werden Joodse marktkooplieden steeds verder beperkt in hun bewegingsvrijheid. Zij mochten niet meer op de reguliere markten staan en werden verbannen naar specifiek aangewezen "Joodse markten" (zoals op het Waterlooplein, de Gaaspstraat en het Joubertplein), waar zij ook alleen aan Joodse klanten mochten verkopen.

De vermelding van het "kamp" is veelzeggend. In de zomer van 1942 begonnen de grootschalige deportaties naar Westerbork en verder naar de vernietigingskampen. Sommige mensen werden echter in eerste instantie teruggestuurd of vrijgesteld van transport op basis van medische gronden ("afgekeurd"). Voor deze mensen was de situatie in de stad echter onhoudbaar: zij hadden vaak geen inkomsten meer en waren volledig afhankelijk van de grillen van de bezetter en de meewerkende gemeentelijke instanties, zoals hier de Inspecteur der Marktwezen. De bureaucratische afwijzing van zijn verzoek om "levensbehoeften" te verkopen was in feite een veroordeling tot verdere armoede en onzekerheid.