Doorslag van een officiële brief (mogelijk van de Dienst der Markten, Amsterdam).
Origineel
Doorslag van een officiële brief (mogelijk van de Dienst der Markten, Amsterdam). 30 september 1940. De Directeur (van de betreffende gemeentelijke dienst). Den Heer N. Ketellapper, Lepelstraat 61 hs, Amsterdam-Centrum. [Handgeschreven bovenaan:] Extra
[Rechtsboven:] VP/HG.
den Heer N.Ketellapper,
Lepelstraat 61 hs,
Amsterdam-Centrum.
Wijk 101
25/188/2 M. 30 September 1940.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 12 dezer bericht ik
U, dat het daarin vervatte verzoek niet voor inwilliging in aan-
merking kan komen. Indien U voortaan UW plaats op de markt Albert
Cuypstraat niet ten minste twee maal per week bezet, zal deze
plaats worden ingetrokken, overeenkomstig de desbetreffende be-
palingen van het Reglement op de Markten.
De Directeur, Het document is een zakelijke en dwingende mededeling aan een marktkoopman, de heer N. Ketellapper. De kern van de brief is tweeledig:
1. Een afwijzing: Een eerder verzoek van de heer Ketellapper (gedaan op 12 september) wordt zonder opgaaf van reden in deze brief afgewezen.
2. Een waarschuwing: De ontvanger wordt herinnerd aan de regels van het 'Reglement op de Markten'. Hij wordt gesommeerd om zijn staanplaats op de Albert Cuypmarkt minstens twee keer per week te bezetten, op straffe van intrekking van zijn vergunning.
De toon is formeel en bureaucratisch, typerend voor overheidscommunicatie uit die tijd. Het gebruik van "UW" in hoofdletters in de tekst legt extra nadruk op de persoonlijke verantwoordelijkheid van de koopman. De datum van de brief, 30 september 1940, is van cruciaal historisch belang. Nederland was op dat moment enkele maanden bezet door nazi-Duitsland. De ontvanger, de heer N. Ketellapper, woonde in de Lepelstraat, een straat in de Amsterdamse Jodenbuurt. De naam Ketellapper is een veelvoorkomende Joodse achternaam in Amsterdam.
Hoewel de brief op het eerste gezicht een routineuze administratieve kwestie lijkt over marktreglementen, moet deze gezien worden tegen de achtergrond van de beginnende anti-Joodse maatregelen. In deze periode werden Joodse Amsterdammers steeds vaker geconfronteerd met beperkingen in hun economische vrijheid en dagelijks leven. Het dreigen met het intrekken van een marktplaats op de Albert Cuypmarkt—een vitale plek voor de Joodse gemeenschap om in hun levensonderhoud te voorzien—kan een voorbode zijn geweest van de latere systematische uitsluiting van Joden van de openbare markten. N. Ketellapper