Handgeschreven briefje (mogelijk een bijlage bij een dossier).
Origineel
Handgeschreven briefje (mogelijk een bijlage bij een dossier). 7 juni 1940. L. Mol. A'dam, 7/6 '40.
[Rechtsboven, handgeschreven in ander handschrift]: in map
Geachte Heer,
Met dezen deel ik U
mede dat ik mijn plaats op de
Lindengracht opgeef.
Hoogachtend,
L. Mol
St Anton. Breestr. 11² Het document is een korte, zakelijke correspondentie waarin de afzender, L. Mol, officieel afstand doet van een standplaats. Gezien de verwijzing naar de "Lindengracht", een bekende marktlocatie in de Amsterdamse Jordaan, betreft het hier vrijwel zeker de opzegging van een marktvergunning.
De stijl is formeel ("Met dezen", "Hoogachtend") en past bij de schriftelijke omgangsvormen van die tijd. Het adres van de afzender, Sint Antoniesbreestraat 11, lag in een levendig deel van de Amsterdamse binnenstad. De toevoeging van de superscript '2' bij het huisnummer duidt aan dat de afzender op de tweede verdieping woonde. De notitie "in map" rechtsboven wijst erop dat dit briefje door de ontvanger (waarschijnlijk de gemeentelijke marktmeester of een administratieve afdeling) is gearchiveerd. De brief is gedateerd op 7 juni 1940, minder dan een maand na de Nederlandse capitulatie en het begin van de Duitse bezetting. Hoewel de brief op zichzelf een routineuze administratieve handeling lijkt, is de timing historisch relevant. In de eerste maanden van de bezetting heerste er grote onzekerheid; economische motieven of persoonlijke omstandigheden gerelateerd aan de nieuwe politieke situatie kunnen een rol hebben gespeeld bij het opgeven van de marktplaats.
De Lindengrachtmarkt was (en is) een belangrijke markt voor de lokale economie. Administratieve documenten zoals deze bieden inzicht in de mobiliteit en de sociaaleconomische dynamiek van Amsterdamse marktkooplieden tijdens de vroege oorlogsjaren. Het adres in de Sint Antoniesbreestraat plaatst de afzender bovendien in een buurt die destijds een sterke Joodse aanwezigheid kende, wat in de latere oorlogsjaren grote gevolgen zou hebben voor de bewoners en hun beroepsuitoefening. L. Mol