Administratieve kaart/oproep voor een marktkraamhouder.
Origineel
Administratieve kaart/oproep voor een marktkraamhouder. Oktober 1940. Linkerzijde (voorgedrukt en handgeschreven):
Nº 28/76/26M. 1940
Opgeroepen per
(datum) 16 of 18 Oct '40 (uur) 9 uur
wegens niet geregeld bezetten plaats
op de markt Lindengracht
pl. 95
In 10 weken 5x geweest
Aan D. M. Meyer
Westerstraat 10 III
Rechterzijde (Aanteekeningen Inspecteur):
Aanteekeningen Inspecteur:
Aan oproepingen geen
gevolg gegeven
Intrekken
18-10-40
de Haas
(In rode inkt:)
Inmiddels bedankt
18/10 40
K. v p. 577
(In blauwe inkt/stempel:)
opb. 24 OCT. 1940 Dit document is een administratief dossierstuk van de Amsterdamse marktinspectie. De kern van de zaak is de onregelmatige aanwezigheid van marktkoopman D. M. Meyer op zijn standplaats (nummer 95) aan de Lindengracht.
- De overtreding: Meyer is in een periode van tien weken slechts vijf keer op de markt verschenen. Dit was een reden voor de inspectie om hem op te roepen voor een verklaring.
- Het proces: Meyer werd opgeroepen voor 16 of 18 oktober 1940 om 9:00 uur. Volgens de aantekeningen van inspecteur De Haas is Meyer niet verschenen ("geen gevolg gegeven"). De inspecteur adviseert daarop om de vergunning in te trekken ("Intrekken").
- De afwikkeling: De rode aantekening "Inmiddels bedankt" wijst erop dat de betrokkene in de tussentijd zelf afstand heeft gedaan van de standplaats (het 'opzeggen' of 'bedanken' voor de plek). Dit gebeurde op 18 oktober 1940.
- Archivering: Het dossier is uiteindelijk op 24 oktober 1940 opgeborgen ("opb."). Het document dateert uit oktober 1940, de vroege fase van de Duitse bezetting van Nederland. Hoewel de kaart op het eerste gezicht een reguliere administratieve handeling lijkt, krijgt het binnen de historische context van Amsterdam een zwaardere lading.
Veel marktkooplieden in de Jordaan (Lindengracht, Westerstraat) waren van Joodse afkomst. De naam "Meyer" en het adres in de Westerstraat wijzen mogelijk in die richting. In deze periode begonnen de bezetters met het registreren en beperken van Joodse economische activiteiten. Hoewel de officiële reden voor het intrekken van de standplaats hier "onregelmatige aanwezigheid" is, kan de afwezigheid van de koopman en het uiteindelijke "bedanken" voor de plek verbonden zijn met de toenemende druk, vrees of restricties waar Joodse Amsterdammers mee te maken kregen. Het document is een voorbeeld van hoe de bureaucratische molen bleef draaien tijdens de eerste maanden van de bezetting. M. Meyer