Ambtsbrief / Correspondentie.
Origineel
Ambtsbrief / Correspondentie. 6 februari 1942. Het Hoofd van de Afdeeling Werkverruiming (Amsterdam). Het Hoofd van de Afdeeling Steunverleening, Marnixstraat 317, Amsterdam/Centrum. L.
6 Februari 1942
Het Hoofd van de Afdeeling Steunverleening
Marnixstraat 317
AMSTERDAM/CENTRUM.
__________________
In antwoord op Uw schrijven d.d.
29 Januari j.l., deel ik U mede, dat de
volgende Joodsche arbeiders zich voor plaat-
sing in de Werkverruiming hebben aangemeld:
No.148.297/130 H. Ensel, Louis Bothastr. 25
No. 93.499/45 A. Gobets, Blasiusstraat 55
No.101.286 M. Blits, Ruyschstraat 62 II
No.119.340/1 L. Goudsmit, Saffierstraat 8
Het Hoofd van de Afdeeling
Werkverruiming,
Coll. [paraf] * **Administratieve efficiëntie:** Het document is een typerend voorbeeld van de bureaucratische afwikkeling van de Jodenvervolging in bezet Nederland. De nauwkeurige registratie met stamnummers en adressen laat zien hoe de gemeentelijke diensten (in dit geval Amsterdam) fungeerden als radertjes in het systeem van de bezetter.
- Terminologie: Het expliciete gebruik van de term "Joodsche arbeiders" duidt op de rassensegregatie die op dat moment volledig in de administratie was doorgevoerd.
- Locaties: De genoemde adressen bevinden zich in de Amsterdamse Transvaalbuurt (Louis Bothastraat) en de Oosterparkbuurt/Pijp-buurt (Blasiusstraat, Ruyschstraat, Saffierstraat), wijken waar in 1942 nog veel Joodse Amsterdammers woonden.
- Status: De brief is een doorslag (vaak herkenbaar aan de paarsige/grijzige inkt en het type papier), bedoeld voor het archief, wat blijkt uit de aantekening "Coll." (voor 'collatum', gecontroleerd/vergeleken) linksonder. Dit document stamt uit een kritieke fase van de Tweede Wereldoorlog in Nederland (begin 1942). De "Werkverruiming" was oorspronkelijk een sociaal project uit de jaren '30 om werklozen aan de slag te helpen. Onder de Duitse bezetting kreeg dit een sinistere wending voor de Joodse bevolking.
Vanaf januari 1942 werden Joodse mannen massaal opgeroepen voor deze 'werkverruiming', wat in de praktijk betekende dat zij naar Joodse werkkampen in het noorden en oosten van Nederland werden gestuurd. Deze kampen fungeerden als verzamelplaatsen; in de zomer van 1942 werden de mannen uit deze kampen, samen met hun gezinnen uit de steden, gedeporteerd naar doorgangskamp Westerbork en vandaar naar de vernietigingskampen in Polen. De mannen op deze lijst liepen op het moment van schrijven direct gevaar om in dit proces van gedwongen tewerkstelling en uiteindelijke deportatie terecht te komen.