Brief (Pagina 2 van een meerdelig schrijven)
Origineel
Brief (Pagina 2 van een meerdelig schrijven) 22 april 1941 De Directeur van het Marktwezen Bladzijde 2 van brief No.25/69/4 M. d.d. 22 April 1941 aan den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen van den Directeur van het Marktwezen.
bezetten, steeds een dagelijks wisselende plaats achter op de markt zouden moeten bezetten, terwijl de losse plaatshouders met andere artikelen dan levensmiddelen (zooals bijvoorbeeld adressant, die met boeken handelt) de beste plaatsen vóór aan de markt zouden kunnen bezetten.
II Het plaatsen van kramen op de markten en het bezetten van meer dan een plaats op dezelfde markt door man, vrouw enz.
De kramen worden als regel vóór den aanvang van de markt opgezet. Den kramenverhuurders is hiervoor door het Gemeentebestuur speciaal vergunning verleend, omdat artikel 344 sub b der Algemeene Politie Verordening het opzetten of hebben van kramen op een anderen dan voor de markt bestemden tijd verbiedt. Het is in het belang van de orde op de markten, dat de kramen vóór den aanvang der markten reeds worden neergezet; tijdens de markturen zou hiervan zeer veel hinder worden ondervonden; het is beslist onjuist, dat uitsluitend voor de Joodsche kooplieden kramen vóór markttijd worden geplaatst. Dit gebeurt voor alle kooplieden, die op een bepaalden dag plaatsen zullen innemen. Artikel 16 van het Reglement op de Markten schrijft voor, dat eenzelfde persoon, hetzij alleen, hetzij met zijn echtgenoote, slechts ten hoogste over een vaste plaats op een algemeene dagmarkt en over vaste plaatsen op twee weekmarkten kan beschikken. Bovendien kunnen uit elk gezin, op dezelfde markt, ten hoogste twee personen voor een vaste plaats in aanmerking komen namelijk het gezinshoofd of zijn echtgenoote en een der andere gezinsleden. Aan deze bepaling wordt strikt de hand gehouden. Slechts losse plaatsen kunnen, indien voorradig, aan andere huisgenoten e.d. worden uitgegeven; hiertegen behoeft naar mijn meening geen enkel bezwaar te bestaan, daar deze plaatsen in den regel op het slechtste gedeelte van de markt zijn gelegen.
III Het vermelden van naam, beroep, adres e.d. op de kraam, teneinde optreden van steuntrekkenden te verhinderen.
De marktambtenaren kennen iedere marktkoopman en zijn in het algemeen volledig met zijn huiselijke omstandigheden op de hoogte; er vindt dagelijks samenwerking plaats tusschen de marktambtenaren en de ambtenaren van het Bureau voor Sociale Zaken, zoodat fraudegevallen, als door adressant bedoeld, vrijwel niet kunnen voorkomen. Invoering van het door adressant voorgestelde lijkt mij derhalve overbodig en zou bovendien veel contrôle van het marktpersoneel noodig maken.
IV De Reinheid der markten.
De reinheid der markt laat, alvorens den ~~lossen~~ kooplieden een plaats wordt toegewezen, niets te wenschen over. Artikel 23 van het Reglement op de Markten, dat den plaatshouder verplicht, zijn afval in een bak te deponeeren, wordt steeds krachtig toegepast.
Wat betreft het kloppen van kleedjes heb ik de eer U te berichten, dat ik hieromtrent niet van advies kan dienen, daar dit een aangelegenheid betreft, die in de Algemeene Politie Verordening is geregeld.
De Directeur, Dit document betreft een ambtelijke correspondentie over de dagelijkse gang van zaken op de markten in een (vermoedelijk Amsterdamse) context tijdens de bezettingsjaren. De tekst is onderverdeeld in verschillende beheersmatige punten:
- Standplaatsen (I): Er wordt gereageerd op een klacht over de verdeling van de "beste" plaatsen aan de voorkant van de markt versus de achterkant.
- Kramen en Bezetting (II): De directeur verdedigt het beleid om kramen al vóór de officiële markttijd op te bouwen. Opvallend is de expliciete ontkenning dat dit een voorkeursbehandeling voor "Joodsche kooplieden" betreft. Ook worden de limieten voor het aantal kramen per gezin (conform Artikel 16 van het Reglement) strikt gehandhaafd om monopolievorming te voorkomen.
- Sociale Controle (III): Er is sprake van een nauwe samenwerking tussen marktmeesters en het Bureau voor Sociale Zaken. Het doel is het opsporen van "steuntrekkenden" (werklozen met een uitkering) die illegaal bijverdienen op de markt.
- Hygiëne en Politieverordening (IV): De nadruk ligt op de handhaving van Artikel 23 (afvalbakken) en de verwijzing naar de Algemeene Politie Verordening (APV) voor zaken als het uitkloppen van kleden.
De toon is bureaucratisch, verdedigend en procedureel van aard. De datum van de brief, 22 april 1941, plaatst dit document in een roerige periode van de Tweede Wereldoorlog in Nederland. Slechts twee maanden na de Februari-staking (1941) was de sfeer in grote steden gespannen. De Duitse bezetter voerde de druk op het ambtelijk apparaat op om Joodse burgers te isoleren.
In deze brief zien we hoe de bureaucratie probeert te functioneren onder deze nieuwe omstandigheden. De expliciete vermelding van "Joodsche kooplieden" suggereert dat er vanuit het publiek of bepaalde instanties klachten of verdachtmakingen kwamen over hun positie op de markt. Tegelijkertijd illustreert punt III de harde aanpak van de armoede tijdens de crisis: het controleren van steuntrekkenden op de markt wijst op een klimaat van schaarste en strenge sociale controle. De "Wethouder voor de Levensmiddelen" was in deze periode een cruciale functie vanwege de toenemende distributie- en voedselvoorzieningsproblemen.