Archief 745
Inventaris 745-434
Pagina 106
Dossier 39
Jaar 1944
Stadsarchief

Archiefdocument

8 mei 1906 Van: Onbekend (vermoedelijk een wethouder of hoge ambtenaar belast met de organisatie van stadsdiensten)

Origineel

8 mei 1906 Onbekend (vermoedelijk een wethouder of hoge ambtenaar belast met de organisatie van stadsdiensten) Amsterdam, 8 Mei 1906

Naar aanleiding van de in bespreking zijnde plannen, de heffing van de marktgelden onder de afdeeling Belastingen te laten en U alleen met het zakelijk beheer van het Marktwezen te belasten, heb ik de eer U het volgende op te merken.
Zooals de toestand tot nu toe was, werd de heffing feitelijk als hoofdzaak beschouwd bij het Marktwezen, als gevolg waarvan de marktmeesters in de eerste plaats heffings- m.a.w. belasting-ambtenaren waren. Deze opvatting omtrent het Marktwezen, heeft vermoedelijk wel geleid tot de beslissing, den geheelen dienst van het Marktwezen onder beheer te brengen van den Directeur der belastingen, onder wien deze dienst is gebleven tot het tijdstip, waarop de Heer Raedt, Directeur der belastingen, met pensioen den dienst verliet.
Zooals U bekend is, werd toen de dienst van het Marktwezen gesplitst en kwam het zakelijk beheer onder den Directeur der Handelsinrichtingen, terwijl het financieel beheer onder den Directeur der belastingen bleef gesteld.
De ervaring heeft mij geleerd, dat zelfs bij den ouden toestand van het Marktwezen, een dergelijke splitsing van dezen dienst allerminst gewenscht is, omdat de beide gedeelten steeds in elkander grijpen. Het is mij bekend, dat ook de Heer s’Jacob deze splitsing een misstand vond en overtuigd is, dat het beter ware het geheele Marktwezen ongesplitst te laten.

Den Heer Directeur van het Marktwezen. Dit document betreft een intern ambtelijk schrijven over de organisatie van de Amsterdamse markten aan het begin van de 20e eeuw. De kern van de kwestie is de verhouding tussen de operationele kant van de markt (het "zakelijk beheer") en de fiscale kant (de "heffing van de marktgelden").

De schrijver zet uiteen dat de marktmeesters voorheen primair als belastingambtenaren werden gezien, wat leidde tot een gecentraliseerd beheer onder de Directeur der Belastingen (de heer Raedt). Na diens pensioen werd de dienst opgesplitst over twee directeuren (Handelsinrichtingen en Belastingen). De auteur adviseert nu krachtig tegen deze splitsing. Het belangrijkste argument is dat de financiële en operationele aspecten van de markt onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn ("in elkander grijpen"). Het document is bedoeld om de Directeur van het Marktwezen te informeren over de stand van zaken en de voorkeur uit te spreken voor een verenigde dienst. * Tijdsbeeld: 1906 was een periode waarin de Amsterdamse gemeentelijke administratie sterk in beweging was en verzakelijkte. De effectieve inning van gelden was cruciaal voor de groeiende stad.
* Personen: De genoemde "Heer s’Jacob" verwijst vrijwel zeker naar Frederik Bernard s'Jacob, die van 1901 tot 1906 burgemeester van Amsterdam was. Dat de auteur zijn mening aanhaalt, geeft aan dat het advies op een hoog bestuurlijk niveau wordt gegeven of gesteund.
* Bestuurlijke historie: Het document illustreert de voortdurende strijd binnen overheidsorganisaties tussen centralisatie (alles bij Belastingen) en specialisatie (beheer bij de vakafdeling). Uiteindelijk zou het Marktwezen in Amsterdam inderdaad een zelfstandige dienst worden die beide aspecten beheerde. De genoemde "Heer s’Jacob" verwijst vrijwel zeker naar Frederik Bernard s'Jacob die van 1901 tot 1906 burgemeester van Amsterdam was. Dat de auteur zijn mening aanhaalt geeft aan dat het advies op een hoog bestuurlijk niveau wordt gegeven of gesteund.

Samenvatting

Dit document betreft een intern ambtelijk schrijven over de organisatie van de Amsterdamse markten aan het begin van de 20e eeuw. De kern van de kwestie is de verhouding tussen de operationele kant van de markt (het "zakelijk beheer") en de fiscale kant (de "heffing van de marktgelden").

De schrijver zet uiteen dat de marktmeesters voorheen primair als belastingambtenaren werden gezien, wat leidde tot een gecentraliseerd beheer onder de Directeur der Belastingen (de heer Raedt). Na diens pensioen werd de dienst opgesplitst over twee directeuren (Handelsinrichtingen en Belastingen). De auteur adviseert nu krachtig tegen deze splitsing. Het belangrijkste argument is dat de financiële en operationele aspecten van de markt onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn ("in elkander grijpen"). Het document is bedoeld om de Directeur van het Marktwezen te informeren over de stand van zaken en de voorkeur uit te spreken voor een verenigde dienst.

Historische Context

  • Tijdsbeeld: 1906 was een periode waarin de Amsterdamse gemeentelijke administratie sterk in beweging was en verzakelijkte. De effectieve inning van gelden was cruciaal voor de groeiende stad.
  • Personen: De genoemde "Heer s’Jacob" verwijst vrijwel zeker naar Frederik Bernard s'Jacob, die van 1901 tot 1906 burgemeester van Amsterdam was. Dat de auteur zijn mening aanhaalt, geeft aan dat het advies op een hoog bestuurlijk niveau wordt gegeven of gesteund.
  • Bestuurlijke historie: Het document illustreert de voortdurende strijd binnen overheidsorganisaties tussen centralisatie (alles bij Belastingen) en specialisatie (beheer bij de vakafdeling). Uiteindelijk zou het Marktwezen in Amsterdam inderdaad een zelfstandige dienst worden die beide aspecten beheerde.

Locaties

Amsterdam

Kooplieden in dit dossier 1

M.A.Sieverts Waterlooplein 2