Archiefdocument
Origineel
11 oktober 1939 (gebaseerd op de handgeschreven datum "11/10" en het paarse jaartalstempel). Een (niet nader genoemde) marktkoopman. N° 31/59/1 M. 1939 11/10
Aan den Directeur
van het Marktwezen
Mijnheer
Daar mijn handel op heden
op de markt op Uilenburg
niet gaat geef ik de plaats
maar op Gaarne kwam ik
later weer in aanmerking In dit korte schrijven informeert een marktkoopman de directeur van het Amsterdamse Marktwezen over het beëindigen van zijn activiteiten op de markt van Uilenburg. De reden die wordt opgegeven is dat de "handel op heden niet gaat", wat impliceert dat de verkopen die dag (of in die periode) onvoldoende waren om de kosten of de moeite van het staan op de markt te rechtvaardigen.
De schrijver gebruikt de formulering "geef ik de plaats maar op", wat duidt op een definitieve of tijdelijke inlevering van de standplaatsvergunning voor die specifieke locatie. Echter, de afsluitende zin "Gaarne kwam ik later weer in aanmerking" toont aan dat de koopman de hoop koestert om in de toekomst, wanneer de economische omstandigheden gunstiger zijn, opnieuw een plek toegewezen te krijgen. Het document dateert uit oktober 1939, een roerige tijd vlak na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in Europa, hoewel Nederland op dat moment nog neutraal was. De economische onzekerheid was echter al voelbaar.
De markt op Uilenburg was een bekende markt in de Amsterdamse Jodenbuurt. Veel van de kooplieden daar leefden in relatieve armoede en waren voor hun dagelijks brood direct afhankelijk van de dagomzet. Het "Marktwezen" was de gemeentelijke instantie die toezag op de vergunningen, standplaatsen en marktgelden. Een dergelijk briefje was een noodzakelijke administratieve handeling om te voorkomen dat er marktgelden verschuldigd bleven voor een ongebruikte plek, en om de kans op een toekomstige standplaats veilig te stellen. Marktwezen