Archief 745
Inventaris 745-305
Pagina 266
Dossier 100
Jaar 1940
Stadsarchief

Zakelijke brief / correspondentie.

21 augustus 1940. Van: Eerste Nederlandsche Poetsdoeken Onderneming (E.N.P.O.), Koestraat 8, Amsterdam. Aan: De Directeur van de Centrale Markthallen, afdeling Ventvergunningen, Jan van Galenstraat, Amsterdam.

Origineel

Zakelijke brief / correspondentie. 21 augustus 1940. Eerste Nederlandsche Poetsdoeken Onderneming (E.N.P.O.), Koestraat 8, Amsterdam. De Directeur van de Centrale Markthallen, afdeling Ventvergunningen, Jan van Galenstraat, Amsterdam. EERSTE NEDERLANDSCHE POETSDOEKEN ONDERNEMING
KANTOOR: KOESTRAAT 8 E. N. P. O. TELEF. 46679 - AMSTERDAM - C

Nº 162/8 M. 1940 (stempel)
22/8 (handgeschreven)

Den Dir. Centrale Markthallen AMSTERDAM, 21 Augustus 19 40
J.v.Galenstr POSTGIRO 85997
Amsterdam.

afd. Ventvergunningen.

M.H.,

Ons werd medegedeeld dat wij ons de vorige week hadden moeten opgeven als handelaar in lompen, doch wij verkeerden in de meening dat dit overbodig was aangezien wij bij het Rijksbureau te Tilburg zijn ingeschreven.

Gaarne ontvingen wij nadere inlichtingen van U, aangezien het Distributiebureau Amstel 1 alhier en het Rijksbureau Witte de Withstraat te den Haag ons hebben terugverwezen naar Uw bureau.

In afwachting teekenen wij inmiddels,
hoogachtend,

E. N. P. O.
(handtekening: J. Gudema) * Onderwerp: Onduidelijkheid over de verplichte registratie als lompenhandelaar.
* Kern van het schrijven: De E.N.P.O. (een bedrijf dat waarschijnlijk oude textiel verwerkte tot poetslappen) is door diverse instanties van het kastje naar de muur gestuurd. Hoewel ze al geregistreerd staan bij een Rijksbureau in Tilburg, eist de afdeling Ventvergunningen in Amsterdam blijkbaar ook een lokale opgave.
* Taalgebruik: Formeel en ambtelijk ("verkeerden in de meening", "teekenen wij inmiddels").
* Administratieve wirwar: Het document noemt vier verschillende instanties: de Centrale Markthallen, het Rijksbureau in Tilburg, Distributiebureau Amstel 1, en het Rijksbureau aan de Witte de Withstraat in Den Haag. Dit illustreert de toenemende bureaucratisering aan het begin van de bezettingsjaren. Dit document stamt uit augustus 1940, slechts drie maanden na de Nederlandse capitulatie. De Duitse bezetter begon vrijwel direct met het centraliseren van de economie en het beheersen van grondstoffen via zogenaamde 'Rijksbureaus'.

Poetsdoeken en lompen (oud textiel) werden in oorlogstijd beschouwd als belangrijke secundaire grondstoffen voor de industrie. Bedrijven in deze sector kregen te maken met strikte distributieregels en registratieplichten. De brief toont de praktische verwarring die ontstond bij ondernemers door deze nieuwe, overlappende bureaucratische lagen tussen lokale distributiekantoren en nationale Rijksbureaus. De ondertekenaar (vermoedelijk J. Gudema) behoorde tot een Amsterdamse familie die actief was in de textiel- en lompenhandel; een sector die later in de oorlog zwaar getroffen zou worden door de anti-Joodse maatregelen van de bezetter.

Samenvatting

  • Onderwerp: Onduidelijkheid over de verplichte registratie als lompenhandelaar.
  • Kern van het schrijven: De E.N.P.O. (een bedrijf dat waarschijnlijk oude textiel verwerkte tot poetslappen) is door diverse instanties van het kastje naar de muur gestuurd. Hoewel ze al geregistreerd staan bij een Rijksbureau in Tilburg, eist de afdeling Ventvergunningen in Amsterdam blijkbaar ook een lokale opgave.
  • Taalgebruik: Formeel en ambtelijk ("verkeerden in de meening", "teekenen wij inmiddels").
  • Administratieve wirwar: Het document noemt vier verschillende instanties: de Centrale Markthallen, het Rijksbureau in Tilburg, Distributiebureau Amstel 1, en het Rijksbureau aan de Witte de Withstraat in Den Haag. Dit illustreert de toenemende bureaucratisering aan het begin van de bezettingsjaren.

Historische Context

Dit document stamt uit augustus 1940, slechts drie maanden na de Nederlandse capitulatie. De Duitse bezetter begon vrijwel direct met het centraliseren van de economie en het beheersen van grondstoffen via zogenaamde 'Rijksbureaus'.

Poetsdoeken en lompen (oud textiel) werden in oorlogstijd beschouwd als belangrijke secundaire grondstoffen voor de industrie. Bedrijven in deze sector kregen te maken met strikte distributieregels en registratieplichten. De brief toont de praktische verwarring die ontstond bij ondernemers door deze nieuwe, overlappende bureaucratische lagen tussen lokale distributiekantoren en nationale Rijksbureaus. De ondertekenaar (vermoedelijk J. Gudema) behoorde tot een Amsterdamse familie die actief was in de textiel- en lompenhandel; een sector die later in de oorlog zwaar getroffen zou worden door de anti-Joodse maatregelen van de bezetter.