Handgeschreven brief (verzoekschrift).
Origineel
Handgeschreven brief (verzoekschrift). 21 juni 1940. J.H. Pakter (woonachtig PL. Doklaan 6, Amsterdam-C). № 20/26/M.1940 [stempel] 24/6 [handgeschreven]
Amsterdam-C., 21 Juni 1940
PL. DOKLAAN 6
Den Heer Inspecteur van Marktwezen Alhier
n.i. Insp. [kanttekening]
Hooggeachte Heer
In aansluiting op mijn bezoek bij U, verzoek ik U nog eens schriftelijk om mij een voorkeurskaart voor het marktwezen toe te wijzen. Gelijk door U gezien is ben ik hier te Amsterdam 24 Juli 1912 geboren. Mijn vader is omstreeks 1880 naar Nederland gekomen van uit Litauen. Mijn vrouw is Nederlandsche gebleven naar wet 1937 daar zij met statenloozen man getrouwd is. Ikzelf val onder alle plichten van Nederlander, heb examen gedaan voor Hooger-onderwijswet en ben volkomen in Nederlandsche geest opgegroeid. Voorkeurskaart had ik graag gekregen voor:
Uilenburg, Noordermarkt - Lindengracht - Waterlooplein.
Door omstandigheden genoodzaakt zijnde op markt een bestaan te zoeken, niet wenschende aan steun of aan deze liefdadigheids instellingen ten prooi te vallen ben ik ervan overtuigd dat U mijn verzoek zult inwilligen. Inmiddels teeken ik met de
verschuldigde gevoelens van Hoogachting
Uw dw. dnr.
J.H. Pakter
14 [onderstreept, linksonder] In deze brief verzoekt J.H. Pakter om een 'voorkeurskaart' voor diverse Amsterdamse markten. De brief is opmerkelijk vanwege de sterke nadruk op de Nederlandse identiteit van de schrijver, ondanks zijn buitenlandse afkomst en formele status als stateloze.
Enkele opvallende punten:
* Status: De schrijver omschrijft zichzelf als "statenlooze man", wat verklaart waarom hij benadrukt dat hij in Amsterdam is geboren en een Nederlandse opvoeding en opleiding heeft genoten.
* Wetgeving: Hij verwijst naar de wet van 1937, waarmee hij waarschijnlijk doelt op de wetgeving rondom het behoud van het Nederlanderschap voor vrouwen die met een vreemdeling (of stateloze) trouwden.
* Economische noodzaak: Hij geeft expliciet aan dat hij wil werken om niet afhankelijk te worden van de "steun" (sociale uitkering) of liefdadigheid, wat duidt op de economische malaise en de precaire positie van minderheden in die tijd.
* Markten: De genoemde markten (Uilenburg, Waterlooplein) bevonden zich in het hart van de oude Joodse buurt van Amsterdam. De brief is geschreven op 21 juni 1940, slechts vijf weken na de Nederlandse capitulatie en het begin van de Duitse bezetting. Deze timing is cruciaal: de administratieve bureaucratie van het Marktwezen draaide nog door, maar de druk op mensen met een buitenlandse of Joodse achtergrond nam snel toe.
De nadruk op het zijn van een "goede Nederlander" en het bezitten van de "Nederlandsche geest" kan worden gelezen als een poging om zich te legitimeren tegenover een bestuur dat onder invloed van de nieuwe bezetter kwam te staan. Voor statelozen van Oost-Europese (mogelijk Joodse) afkomst was het verkrijgen van een officiële werkvergunning of standplaatskaart op dat moment een kwestie van bittere noodzaak om te overleven en buiten het vizier van deportatie- of dwangarbeidsmaatregelen te blijven. J.H. Pakter Marktwezen