Archief 745
Inventaris 745-336
Pagina 203
Dossier 2A
Jaar 1940
Stadsarchief

Afschrift van een ambtelijke brief.

6 april 1940. Van: F. van Meurs, Wethouder voor de Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen (Gemeente Amsterdam). Aan: Wethouder voor den Maatschappelijken Steun (Gemeente Amsterdam).

Origineel

Afschrift van een ambtelijke brief. 6 april 1940. F. van Meurs, Wethouder voor de Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen (Gemeente Amsterdam). Wethouder voor den Maatschappelijken Steun (Gemeente Amsterdam). GEMEENTE AMSTERDAM.

Afd.L.M. AFSCHRIFT. Amsterdam, 6 April 1940.
No.384 -1939-
2 bijlagen.

Bij schrijven van 7 Maart jl. ontving ik van den Directeur
van Uw bureau een staat betreffende 96 venters. Bij nadere beschouwing
van dezen staat bleek het volgende.
De 25 zoogenaamde A venters kunnen worden afgevoerd; van
de 71 overigen hebben 5 hun ventvergunning kort na dat schrijven af-
gehaald. Van de 66 overigen heb ik een overzicht doen maken, dat ik U
bijgaande toezend. Hieruit blijkt o.m. dat 22 van die 66 geen kinderen
hebben, 27 Hebben met aardappelen, groente en fruit gevent, en 10
met bloemen. Fruit en bloemen zijn in de zomermaanden toch zeer gewild.
Het wil mij uit deze gegevens toeschijnen, dat het aan de eigen voor-
keur van deze personen wordt overgelaten, om al dan niet in steun te
gaan, een feit dat alle aandacht verdient, omdat het volkomen ontoe-
laatbare toestanden kan doen bestaan. Dit trekt temeer de aandacht,
daar het nominaal aantal venters in de laatste jaren sterk is gedaald
en wel van 7184 op 1 Januari 1935 tot 3408 op 1 Januari 1940, terwijl
na de vorstperiode op 7 Maart nog 948 ventvergunningen geblokkeerd
waren.
Ik acht het dan ook gewenscht, dat deze aangelegenheid
nauwkeurig wordt bekeken. Zoo zal moeten worden gelet op het aantal
venters per wijk, gesplitst naar de artikelen, die zij verkoopen
(waarbij de lompenventers buiten beschouwing kunnen blijven). Het drie-
maandelijksche overzicht bevat deze gegevens. Dit is ook noodig met
het oog op een deugdelijke contrôle, waarbij wijksgewijze het aantal
venters mede in verband met het aantal inwoners, moet worden bekeken.
Uit deze gegevens kan met meer of mindere zekerheid worden beoordeeld
of het, gelet op de verkoopsmogelijkheden, economisch verklaarbaar is,
indien een venter om opname in den steun verzoekt.
Ik heb in dit verband op bijgaande plattegrond het aantal
inwoners en nominaal aantal venters per wijk doen vermelden, benevens
het geschatte aantal geblokkeerde ventvergunningen per wijk. Ik zou
het op prijs stellen, indien U deze aangelegenheid in Uw Contactcom-
missie zoudt willen doen behandelen.
De Wethouder voor de Levensmiddelen,
Wasch- en schoonmaak-, bad- en zwem-
inrichtingen,
w.g.F.van Meurs.

Aan den Heer Wethouder voor den
Maatschappelijken Steun. In deze brief uit april 1940 uit wethouder F. van Meurs zijn zorgen over het systeem van ventvergunningen in Amsterdam. De kern van zijn betoog is dat het voor individuele venters te gemakkelijk zou zijn om te kiezen voor de "steun" (sociale uitkering) in plaats van te werken, zelfs wanneer er economische mogelijkheden zijn (zoals de verkoop van fruit en bloemen in de zomer).

Van Meurs onderbouwt zijn zorgen met statistieken: het aantal geregistreerde venters is in vijf jaar tijd meer dan gehalveerd (van 7184 naar 3408). Hij pleit voor een striktere, data-gestuurde aanpak. Door het aantal venters en hun producten per wijk te vergelijken met het aantal inwoners, wil hij objectief vaststellen of een venter echt geen inkomen kan genereren voordat deze in aanmerking komt voor maatschappelijke steun. Hij verzoekt zijn collega-wethouder om dit plan in de "Contactcommissie" te bespreken. Dit document biedt een unieke inkijk in de sociale en economische politiek van Amsterdam vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in Nederland (slechts een maand voor de Duitse inval op 10 mei 1940).

De jaren dertig stonden in het teken van de grote economische depressie. Venten was voor veel armen een noodzakelijke manier om te overleven, maar de overheid probeerde dit steeds meer te reguleren. De "steun" was in die tijd een uiterst sobere voorziening die gepaard ging met strenge controles en vaak als vernederend werd ervaren.

Het document weerspiegelt de bureaucratische mentaliteit van die tijd: een sterke drang naar controle, efficiëntie en het voorkomen van "misbruik" van sociale voorzieningen door middel van gedetailleerde statistiek en wijksgewijze analyses. Het is een voorbeeld van hoe de lokale overheid probeerde de grens te bepalen tussen arbeid en sociale zorg.

Samenvatting

In deze brief uit april 1940 uit wethouder F. van Meurs zijn zorgen over het systeem van ventvergunningen in Amsterdam. De kern van zijn betoog is dat het voor individuele venters te gemakkelijk zou zijn om te kiezen voor de "steun" (sociale uitkering) in plaats van te werken, zelfs wanneer er economische mogelijkheden zijn (zoals de verkoop van fruit en bloemen in de zomer).

Van Meurs onderbouwt zijn zorgen met statistieken: het aantal geregistreerde venters is in vijf jaar tijd meer dan gehalveerd (van 7184 naar 3408). Hij pleit voor een striktere, data-gestuurde aanpak. Door het aantal venters en hun producten per wijk te vergelijken met het aantal inwoners, wil hij objectief vaststellen of een venter echt geen inkomen kan genereren voordat deze in aanmerking komt voor maatschappelijke steun. Hij verzoekt zijn collega-wethouder om dit plan in de "Contactcommissie" te bespreken.

Historische Context

Dit document biedt een unieke inkijk in de sociale en economische politiek van Amsterdam vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in Nederland (slechts een maand voor de Duitse inval op 10 mei 1940).

De jaren dertig stonden in het teken van de grote economische depressie. Venten was voor veel armen een noodzakelijke manier om te overleven, maar de overheid probeerde dit steeds meer te reguleren. De "steun" was in die tijd een uiterst sobere voorziening die gepaard ging met strenge controles en vaak als vernederend werd ervaren.

Het document weerspiegelt de bureaucratische mentaliteit van die tijd: een sterke drang naar controle, efficiëntie en het voorkomen van "misbruik" van sociale voorzieningen door middel van gedetailleerde statistiek en wijksgewijze analyses. Het is een voorbeeld van hoe de lokale overheid probeerde de grens te bepalen tussen arbeid en sociale zorg.