Archiefdocument
Origineel
20 October 1941 Waarschijnlijk een ambtenaar of afdelingshoofd van de Gemeente Amsterdam (gezien de adressering). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Alhier (Amsterdam). VD/HG. Verzonden folio (handgeschreven)
2A/16/1 M.
20 October 1941.
Opslag aardappelen.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
Hiermede heb ik de eer U te berichten, dat de Vereeniging tot Behartiging van den Nederlandschen Aardappelhandel de medewerking der Gemeente heeft ingeroepen ter verkrijging van panden voor den opslag van winteraardappelen. Benoodigd is een opslagruimte voor 200.000 hl. aardappelen (dat is bij de huidige bonaanwijzing van 3½ kg. per hoofd en per week voldoende voor een reserve van 4 à 5 weken). De V.B.N.A. beschikt thans reeds over opslagruimten voor ± 50.000 hl. in panden in het Oosten en het Noorden van de stad en voor ± 10.000 hl. op de Centrale Markt, zoodat nog ruimte moet worden gezocht voor 140.000 hl. aardappelen; hiervoor is een oppervlakte van 10.000 à 12.000 m2 noodig. Wel is nog ruimte beschikbaar in het Nieuw Entrepôt, doch dit perceel is voor de distributie der aardappelen onder de kleinhandelaren - in verband met transportmoeilijkheden in den winter - ongunstig gelegen.
De V.B.N.A. heeft onder meer besprekingen gevoerd met de Deli-Maatschappij, welke maatschappij aan de Houtmankade over groote panden beschikt, welke voor een deel ten vorigen jare ook reeds voor den opslag van aardappelen waren gebruikt. In deze panden kan een zeer belangrijke hoeveelheid aardappelen worden opgeslagen, terwijl zij in het Westen der stad gelegen zijn. Men maakt echter bezwaar om deze panden thans weer voor dit doel beschikbaar te stellen, omdat men vreest, dat de tabak, welke in normale tijden in deze panden pleegt te worden opgeslagen, hiervan te zijner tijd nadeelige gevolgen zal ondervinden. Gezien de ervaringen in het koelhuis Centrale Markt met den opslag van sterk riekende en dikwijls vochtige artikelen opgedaan, meen ik, dat de gevolgen van den opslag van aardappelen voor de pakhuizen wel kunnen worden ondervangen.
Ik acht het gewenscht, in verband met de voedselvoorziening van den aanstaanden winter, dat van de zijde van het Gemeentebestuur de medewerking van de Deli-Maatschappij wordt ingeroepen om de bewuste panden ten behoeve van de voedselvoorziening van Amsterdam tegen vergoeding door de Vebena, beschikbaar te stellen. * Kernprobleem: Er is een acuut tekort aan geschikte opslagruimte voor winteraardappelen in Amsterdam. Om een strategische reserve van 4 tot 5 weken aan te houden (gebaseerd op het rantsoen van 3,5 kg per persoon), is ruimte nodig voor 200.000 hectoliter. Er is nog een tekort aan ruimte voor 140.000 hl (ca. 10.000-12.000 m2).
* Voorgestelde oplossing: Het vorderen of huren van pakhuizen van de Deli-Maatschappij aan de Houtmankade. Deze panden zijn gunstig gelegen in het westen van de stad.
* Conflict: De Deli-Maatschappij weigert medewerking omdat zij vreest dat de geur en het vocht van de aardappelen de kwaliteit van de tabak (hun primaire handelsproduct) die later in die panden wordt opgeslagen, zal aantasten.
* Argumentatie: De schrijver van de brief bagatelliseert deze angst door te verwijzen naar ervaringen op de Centrale Markt, waaruit zou blijken dat dergelijke nadelige gevolgen beheersbaar zijn.
* Actie: De wethouder wordt verzocht politieke druk uit te oefenen op de Deli-Maatschappij om de panden tegen vergoeding af te staan aan de Vebena (waarschijnlijk een afkorting gerelateerd aan de V.B.N.A.). Dit document stamt uit oktober 1941, ruim een jaar na de start van de Duitse bezetting van Nederland. De voedselvoorziening werd in deze periode steeds nijpender en stond onder streng toezicht van zowel de Nederlandse autoriteiten als de bezetter.
Aardappelen vormden de basis van het Nederlandse dieet, zeker toen andere producten schaars werden. De logistieke uitdagingen (transport in de winter, centrale distributie via bonnen) dwongen de gemeente tot een proactief beleid voor lokale opslag. De Deli-Maatschappij was een grote koloniale onderneming; het conflict tussen hun commerciële belangen (tabakshandel) en het algemeen belang van de stedelijke voedselvoorziening typeert de spanningen in oorlogstijd. De brief toont hoe de overheid bereid was diep in te grijpen in private eigendommen om de rust in de stad te bewaren ("voedselvoorziening van den aanstaanden winter").