Afschrift van een brief.
Origineel
Afschrift van een brief. 12 augustus 1941. C.H. Blanken (woonachtig aan de 2e Jac. v. Campenstraat 126 I, Amsterdam). No.25/58/8 M.1941 21/8 AFSCHRIFT.
No.633 L.M.1941
Amsterdam, 12 Augustus 1941.
Aan den Weledele Heer Wethouder
voor het Marktwezen.
Weledele Heer,
Naar aanleiding van Uw schrijven, waarin U mij mededeelde, dat U aan mijn verzoek niet kan voldoen, daar er anders zoo veel menschen voor mij werden gedupeerd, acht ik het mijn plicht U van een dergelijk feit in kennis te stellen.
Sedert eenigen tijd wordt op de dagmarkt Albert Cuypstraat door Dekker een vaste plaats ingenomen. Op zichzelf is dat een maatregel, die waarschijnlijk door het Marktwezen is genomen. Het eigenaardige van dit geval is het volgende. Deze Dekker is nog nooit door mij bij een plaatsverloting gezien; de plaats, welke hij bezet is onhoogst waarschijnlijk geen vrije plaats, bovendien betaalt Dekker niet per week, doch per dag, zoodat volgens het huidige marktreglement dat op een ieder van toepassing is, niet voldoende wordt uitgevoerd. Door deze maatregel wordt alleen Dekker bevoordeeld doch er zijn in dit geval heel wat menschen, die daardoor gedupeerd worden net als het geval Blanken. Alleen omvatte het toen hoogstens twintig mensche en thans bij normale drukte zeker vijftig. Nu ligt het in geen geval op mijn weg om Dekker te benadeelen, door dit schrijven. Doch er is een heel oud spreekwoord, dat zegt: Gelijke monniken, gelijke kappen.
Dank U voor Uw aandacht,
w.g.C.H.Blanken,
2e Jac.v.Campenstraat 126 I. In deze brief beklaagt de heer C.H. Blanken zich bij de wethouder over een vermeende voorkeursbehandeling van een zekere "Dekker" op de Albert Cuypmarkt. De kern van het bezwaar is dat Dekker een vaste standplaats heeft verkregen zonder deel te nemen aan de gebruikelijke verloting en bovendien per dag betaalt in plaats van per week, wat in strijd zou zijn met het marktreglement.
Blanken ervaart dit als onrechtvaardig, vooral omdat een eerder verzoek van hemzelf door de wethouder werd afgewezen met het argument dat anderen dan "gedupeerd" zouden worden. Hij wijst op de inconsistentie in het beleid: terwijl zijn eerdere situatie ("geval Blanken") twintig mensen raakte, zouden er nu door de situatie met Dekker wel vijftig mensen benadeeld worden. Hij sluit af met het morele beroep: "Gelijke monniken, gelijke kappen." De brief dateert van augustus 1941, ruim een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De administratie van de stad Amsterdam stond in deze periode onder grote druk en veranderende regelgeving. Hoewel de brief op het eerste gezicht een typisch Amsterdams "marktgeschil" lijkt, is de timing cruciaal.
In 1941 werden de maatregelen tegen Joodse marktkooplieden steeds strenger; vanaf najaar 1941 werden zij volledig van de reguliere markten verbannen naar speciaal aangewezen "Joodsche markten". Hoewel deze brief niet expliciet over de Jodenvervolging gaat, vond de strijd om de schaarse en begeerde standplaatsen op de Albert Cuypmarkt plaats tegen de achtergrond van een marktregime dat door de bezetter en de collaborerende overheid werd gezuiverd en heringericht. De nadruk op "reglementen" en "eerlijkheid" in de brief kan worden gezien in het licht van de algemene schaarste en de bureaucratische verharding tijdens de oorlogsjaren.