Archief 745
Inventaris 745-373
Pagina 86
Dossier 75
Jaar 1942
Stadsarchief

Getypte notulen van een vergadering (pagina 2).

Vermoedelijk 1937 (gebaseerd op referentienummer "L.M.1937").

Origineel

Getypte notulen van een vergadering (pagina 2). Vermoedelijk 1937 (gebaseerd op referentienummer "L.M.1937"). -2-

Ingekomen stukken.

De Voorzitter deelt mede, dat door den heer Cohen een briefje van een
zekeren Werkheim is ingezonden van ongeveer gelijke
strekking als door den heer Presser in de vorige verga-
dering (bij de rondvraag) der tafel is gebracht, handelende
over het ophalen van goederen.
Spreker stelt voor dit zoo noodig te behandelen bij
punt 3 der agenda, waarmede de vergadering accoord gaat.

Verzoek van D. Lopes Salzedo om hem alsnog een ventver-
gunning te verleenen (om advies aan de Commissie gezon-
den onder no.62/356 L.M.1937).
De Voorzitter deelt mede, dat adressant tot en met het jaar 1933 van
het venten te Amsterdam zijn beroep heeft gemaakt. Dit
wordt bevestigd door een verklaring van den veiling-
meester der Nederlandsche Veiling. Hij heeft tot nu toe
verzuimd een verklaring van een agent van politie, welke
hij had toegezegd, in te zenden. Adressant heeft niet
tijdig een ventvergunning aangevraagd, omdat hij, door
jarenlange ziekte van zijn vader, diens winkelzaak moest
waarnemen. Dit wordt bevestigd door een doktersverkla-
ring. Thans kan verzoeker echter zijn oude beroep weder
opvatten. Hier zijn, volgens spreker, bijzondere omstan-
digheden aanwezig, waardoor niet tijdig een ventvergun-
ning is aangevraagd. In dergelijke gevallen heeft de
Commissie tot nu toe gunstig geadviseerd.
De heer Presser deelt mede, dat adressant zelf een winkel heeft, die
slechts in naam van zijn vader is; bovendien grossiert
hij in bloemen. Hij heeft wel een aantal jaren gevent,
doch niet in 1933. Het is, volgens spreker, niet
gewenscht, winkeliers, wier zaken niet goed gaan, in de
gelegenheid te stellen om te gaan venten.
De Voorzitter wijst erop, dat de Commissie zich nimmer met de econo-
mische motieven heeft bemoeid. Indien adressant werkelijk
kan aantoonen, in 1933 te hebben gevent, is er, in
verband met de bijzondere omstandigheden, waarom niet
tijdig werd aangevraagd, geen reden, afwijzend op het
onderhavige verzoek te adviseeren. Dit document is een verslag van een discussie binnen een commissie (mogelijk de Amsterdamse Marktcommissie of een vergelijkbaar orgaan dat vergunningen verleent). De kern van de zaak is de aanvraag van de heer D. Lopes Salzedo voor een ventvergunning.

Er ontstaat een meningsverschil tussen de voorzitter en een lid genaamd de heer Presser:
* De Voorzitter pleit voor een pragmatische en empathische benadering. Hij voert aan dat Salzedo een legitieme reden had (zorg voor zieke vader) voor de onderbreking van zijn werk als venter en dat hij voldoet aan de eis dat hij in 1933 actief was.
* De heer Presser stelt zich kritischer op. Hij suggereert dat Salzedo feitelijk een winkelier en bloemengrossier is en dat het onwenselijk is om winkeliers die slecht draaien ook nog een ventvergunning te geven (mogelijk uit angst voor oneerlijke concurrentie of 'dubbele' inkomstenbronnen).
* De conclusie van de voorzitter is dat de commissie niet naar economische motieven kijkt, maar puur naar de feitelijke criteria: was hij venter in 1933 en is de late aanvraag gerechtvaardigd? De tijdsgeest van dit document (circa 1937) is cruciaal. Nederland bevond zich in de nasleep van de economische crisis van de jaren '30. De overheid probeerde de straathandel strikt te reguleren om de gevestigde middenstand (winkeliers) te beschermen tegen de wildgroei aan 'venters' die uit pure noodzaak de straat op gingen.

De namen in het document (Lopes Salzedo, Presser, Cohen, Werkheim) wijzen op een sterke vertegenwoordiging van de Joodse gemeenschap. In Amsterdam was een aanzienlijk deel van de straathandel en de bloemenmarkt in Joodse handen. Dit document illustreert de bureaucratische strijd die individuen moesten voeren om hun middel van bestaan te behouden of terug te krijgen in een tijd van economische schaarste en strenge regelgeving.

Samenvatting

Dit document is een verslag van een discussie binnen een commissie (mogelijk de Amsterdamse Marktcommissie of een vergelijkbaar orgaan dat vergunningen verleent). De kern van de zaak is de aanvraag van de heer D. Lopes Salzedo voor een ventvergunning.

Er ontstaat een meningsverschil tussen de voorzitter en een lid genaamd de heer Presser:
* De Voorzitter pleit voor een pragmatische en empathische benadering. Hij voert aan dat Salzedo een legitieme reden had (zorg voor zieke vader) voor de onderbreking van zijn werk als venter en dat hij voldoet aan de eis dat hij in 1933 actief was.
* De heer Presser stelt zich kritischer op. Hij suggereert dat Salzedo feitelijk een winkelier en bloemengrossier is en dat het onwenselijk is om winkeliers die slecht draaien ook nog een ventvergunning te geven (mogelijk uit angst voor oneerlijke concurrentie of 'dubbele' inkomstenbronnen).
* De conclusie van de voorzitter is dat de commissie niet naar economische motieven kijkt, maar puur naar de feitelijke criteria: was hij venter in 1933 en is de late aanvraag gerechtvaardigd?

Historische Context

De tijdsgeest van dit document (circa 1937) is cruciaal. Nederland bevond zich in de nasleep van de economische crisis van de jaren '30. De overheid probeerde de straathandel strikt te reguleren om de gevestigde middenstand (winkeliers) te beschermen tegen de wildgroei aan 'venters' die uit pure noodzaak de straat op gingen.

De namen in het document (Lopes Salzedo, Presser, Cohen, Werkheim) wijzen op een sterke vertegenwoordiging van de Joodse gemeenschap. In Amsterdam was een aanzienlijk deel van de straathandel en de bloemenmarkt in Joodse handen. Dit document illustreert de bureaucratische strijd die individuen moesten voeren om hun middel van bestaan te behouden of terug te krijgen in een tijd van economische schaarste en strenge regelgeving.