Getypt verslag (proces-verbaal van een bespreking).
Origineel
Getypt verslag (proces-verbaal van een bespreking). Kort verslag van de bespreking op Dinsdag 6 Januari 1942 ten kantore van het Gewestelijk Arbeidsbureau, inzake de plaatsing van Joodsche werkloozen in de werkverruiming.
Aanwezig :
- van het Bureau van den Beauftragte für die Stadt Amsterdam: Heer Rodegro
- van het Gewestelijk Arbeidsbureau: de Heeren A.J.A.E.v. Delft (Voorzitter) en Sixma
- van den Rijksdienst voor de Werkverruiming, Den Haag: de Heeren Mr. v.d. Berg, W.F. van Zant en v.d. Zij[...]
- van het Gem. Bureau voor Sociale Zaken: Drs. A. Kaan
- van den Joodschen Raad: Prof.D. Cohen, A. Asscher en Meyer de Vries.
De Heer Rodegro deelt mede, dat de Duitsche autoriteiten hebben besloten, dat op Zaterdag 10 Januari 1942 des morgens van het Centraal Station te Amsterdam 1402 Joodsche werkloozen naar Drenthe moeten vertrekken om aldaar in de werkverruiming te werken. De arbeiders moeten van te voren medisch worden onderzocht door een aantal door den Joodschen Raad aan te wijzen artsen. De Rijks- en Gemeentelijke autoriteiten zullen bij de plaatsing hun medewerking verleenen. Het is de bedoeling, dat uitsluitend valide arbeiders worden tewerkgesteld, die hier in Amsterdam van de noodige uitrustingsstukken worden voorzien.
De Heer v.d. Berg zegt, dat de volgende Rijkswerkkampen voor de Joodsche arbeiders zijn aangewezen :
| Kamp | Plaatsen | Kamp | Plaatsen |
|---|---|---|---|
| Diever A | 96 plaatsen | Gijsselte | 210 plaatsen |
| Diever B | 96 " | Stuifzand | 96 " |
| Vledder | 180 " | Geesbrug | 210 " |
| Orvelte | 96 " | Kremboong | 208 " |
| Totaal | 1402 plaatsen. |
De Heer Asscher merkt op, dat de Joodsche Raad de namen der tewerkgestelden niet kent. Spreker is gaarne bereid alle medewerking aan de tewerkstelling te verleenen. Alleen zou hij gaarne willen, dat de arbeiders hun werk op een lateren datum konden aanvangen, aangezien velen zijner geloofsgenooten er ernstig bezwaar tegen zullen hebben op Zaterdag te reizen.
De Heer Rodegro antwoordt, dat hij in geen geval van de gestelde eischen kan afwijken.
De Heer Meyer de Vries wijst er op, dat de Joodsche Raad geen gegevens heeft over het al dan niet werkloos zijn van de leden der Joodsche Gemeente. Ook heeft de Joodsche Raad geen zeggenschap over de leden dezer gemeente. Als zij weigeren naar de werkverruiming te gaan, dan kan men hen hiertoe niet dwingen.
De Heer Cohen onderschrijft dit; de Joodsche Raad kent noch de namen, noch de aantallen werkloozen. In tegenstelling met andere landen is de Joodsche Raad geen publiekrechtelijk lichaam en mist hij ook de daaraan verbonden bevoegdheden.
De Heer Rodegro antwoordt, dat er veel Joden uit Overheidsdiensten en uit private bedrijven zijn ontslagen. Het Gewestelijk Arbeidsbureau beschikt over de namen dezer arbeiders. Ook zijn er nog tal van Joden in ondersteuning bij de Gemeente. De overheidsinstellingen zullen haar medewerking verleenen bij het oproepen en plaatsen. Dit document is een cruciaal historisch bewijsstuk van de eerste fase van de Holocaust in Nederland. Het verslag legt het moment vast waarop de "werkverruiming" (oorspronkelijk bedoeld voor werklozen tijdens de crisisjaren) door de Duitse bezetter wordt omgevormd tot een instrument voor de isolatie en deportatie van Joodse mannen.
Enkele opvallende elementen:
* De onverbiddelijkheid van de bezetter: Rodegro (vertegenwoordiger van de Duitse Beauftragte Hans Böhmcker) wijst het verzoek van de Joodsche Raad om de datum te verschuiven vanwege de Sabbat ("Zaterdag") resoluut af. Dit was een bewuste provocatie en machtsvertoon.
* De rol van de Joodsche Raad: Asscher en Cohen bevinden zich in een onmogelijke positie. Asscher betuigt enerzijds bereidheid tot "medewerking" om erger te voorkomen, terwijl ze tegelijkertijd wijzen op hun gebrek aan middelen en informatie om de orders uit te voeren.
* Bureaucratische collaboratie: Het document toont aan dat de Duitse bezetter rekende op de administratieve gegevens en logistieke steun van Nederlandse instanties zoals het Gewestelijk Arbeidsbureau en de Gemeente om de Joodse bevolking in kaart te brengen en op te roepen. In januari 1942, kort voor de beruchte Wannseeconferentie, begon de grootschalige tewerkstelling van Joodse mannen in Nederlandse werkkampen, voornamelijk in Noord-Nederland. De kampen die in dit document worden genoemd (zoals Vledder en Orvelte), werden aanvankelijk gepresenteerd als gewone werkprojecten.
In werkelijkheid waren deze kampen een voorstadium van de deportatie. De mannen werden hier gescheiden van hun families en hun bewegingsvrijheid werd ingeperkt. In de nacht van 2 op 3 oktober 1942 (tijdens Jom Kippoer) werden vrijwel alle mannen uit deze kampen afgevoerd naar Kamp Westerbork, terwijl hun achtergebleven gezinnen in Amsterdam en de rest van het land werden opgepakt. Vanuit Westerbork volgde voor het merendeel van hen deportatie naar de vernietigingskampen in Polen. Dit document markeert dus het begin van het einde voor de ruim 1400 mannen waarover hier gesproken wordt.