Notulen/Verslag van een vergadering (mogelijk van de Joodsche Raad).
Origineel
Notulen/Verslag van een vergadering (mogelijk van de Joodsche Raad). Ongedateerd op dit blad (historisch te plaatsen ca. 1942). De Heer Cohen zal de namen der arbeiders, die zich bij de Joodsche Raad voor tewerkstelling melden, opgeven aan de afdeeling Werkverruiming. Daarnaast zal spreker op verzoek van de Duitsche autoriteiten hen de namen opgeven van diegenen, die niet naar de werkverruiming zijn vertrokken. Spreker zal deze gegevens daartoe gaarne van de afdeeling Werkverruiming overnemen.
De Heer Kaan antwoordt, dat de Joodsche Raad de gegevens uit zijn kaartregister kan laten overnemen, zoodra dit is bijgewerkt. Het zal echter nog even duren voor alle gegevens zijn verwerkt en het register geheel gereed is.
De Heer van Dam wijst er op, dat het Gem. Bureau voor Sociale Zaken alleen de gevallen in onderzoek kan nemen van hen, die voorheen ondersteuning ontvingen. De medische bezwaren zullen eerst voor nader onderzoek worden gegeven aan het keuringsbureau van den Joodschen Raad, die rapport uitbrengt aan de afdeeling Werkverruiming.
De Heer Cohen merkt op, dat de Joodsche Raad niet alle gevallen kan onderzoeken. Men zal de bewijzen, die de arbeiders overleggen, zonder meer moeten aanvaarden en de arbeiders aansprakelijk stellen voor de juistheid er van. Slechts in bepaalde gevallen zal de Joodsche Raad een onderzoek kunnen instellen. Spreker denkt bijvoorbeeld aan hen, die verlof vragen om studieredenen. Alleen zij, die van het Departement v. Volksopvoeding toestemming hebben gekregen om te studeeren, hebben naar sprekers meening een geldige reden om niet naar de werkverruiming te gaan. Met de overigen is dit niet het geval.
De Heer van Delft acht het wenschelijk, dat het contact met den Beauftragte door zijn Bureau wordt onderhouden, omdat zijn bureau belast is met de plaatsing. Statistieken, rapporten enz. zullen door sprekers bureau worden samengesteld. Ook de gevallen, waarin arbeiders in het particulier bedrijf kunnen worden geplaatst, zullen door spreker aan den Beauftragte worden voorgelegd. Verzoeken om tijdelijk verlof te verleenen bijv. bij ziekte, huwelijk enz. zullen door de afdeeling Werkverruiming tot den Beauftragte worden gericht.
Hierna wordt de bijeenkomst gesloten. Dit document biedt een blik op de bureaucratische processen waarmee de Joodsche Raad werd ingezet voor de uitvoering van Duitse maatregelen. De kern van het overleg betreft de registratie van Joodse mannen voor de 'Werkverruiming' (dwangarbeid in werkkampen).
Enkele cruciale punten uit de tekst:
* Collaboratie onder dwang: De Joodsche Raad (via Cohen) verklaart bereid te zijn om de namen van 'weigeraars' (hen die niet naar de werkverruiming vertrokken) door te geven aan de Duitse autoriteiten.
* Selectie en vrijstelling: Er wordt gesproken over de criteria voor vrijstelling (Sperre). Alleen studenten met expliciete toestemming van het Departement van Volksopvoeding worden als legitieme uitzondering gezien.
* Medische keuringen: Er is een hiërarchie in het onderzoek naar arbeidsongeschiktheid, waarbij het keuringsbureau van de Joodsche Raad een adviserende rol heeft richting de afdeling Werkverruiming.
* Duitse controle: De 'Beauftragte' (de Duitse gevolmachtigde voor Amsterdam, Hans Böhmcker) fungeert als de hoogste autoriteit aan wie alle statistieken en verlofaanvragen moeten worden gerapporteerd. De 'Werkverruiming' was oorspronkelijk een Nederlands project voor werklozenbestrijding, maar werd vanaf januari 1942 door de Duitse bezetter omgevormd tot een systeem van werkkampen specifiek voor Joodse mannen. Dit was een tussenfase in de Holocaust: de mannen werden geïsoleerd van hun families voordat de grootschalige deportaties naar de vernietigingskampen in Polen (via Westerbork) begonnen in de zomer van 1942.
De Joodsche Raad bevond zich hier in een onmogelijke positie ("het dilemma van de Joodsche Raad"), waarbij zij probeerden door middel van administratieve nauwkeurigheid en het verlenen van 'Sperren' (vrijstellingen) mensen te redden, terwijl zij tegelijkertijd fungeerden als het doorgeefluik voor de bezetter om de Joodse gemeenschap te controleren en te registreren. De in de tekst genoemde "Heer Cohen" is zeer waarschijnlijk David Cohen, een van de twee voorzitters van de Joodsche Raad.