Archief 745
Inventaris unknown_deel
Pagina 152
Dossier 108
Stadsarchief

Getypt verslag van een bespreking (notulen).

10 januari 1942.

Origineel

Getypt verslag van een bespreking (notulen). 10 januari 1942. Hr. Kaan
H.

Kort verslag van de bespreking op Zaterdag 10 Januari 1942 ten kantore van het Gewestelijk Arbeidsbureau, inzake de plaatsing van Joodsche werkloozen in de werkverruiming.

Aanwezig:
Van het Gewestelijk Arbeidsbureau: de Heeren A.J.A.C. van Delft (Voorzitter) en Sixma
Van den Rijksdienst voor de Werkverruiming, den Haag: de Heeren Mr. v.d. Berg en Ir. Hudig
van het Gem. Bureau voor Sociale Zaken: de Heeren J.C. van Dam en Drs. A. Kaan
van den Joodschen Raad: Prof. Dr. D. Cohen en Meyer de Vries

De Heer v.d. Berg deelt mede, dat de wnd. Secretaris-Generaal van het Departement v. Sociale Zaken aan de Duitsche autoriteiten een afgerond verslag van de tewerkstelling wil aanbieden. Spreker vraagt of er reeds cijfers kunnen worden gegeven.
De Heer Kaan antwoordt, dat ca. 3650 Joodsche werkloozen zijn uitgenodigd om voor de keuring te verschijnen. Hiervan zijn ca. 1570 arbeiders niet gekeurd omdat zij wegbleven, ander werk [vonden], de oproepkaarten onbestelbaar terug kwamen, de arbeiders ouder dan 65 jaar waren, enz.
Afgekeurd werden ca. 1000 en goedgekeurd ca. 1075 personen. Deze cijfers geven de verhouding bij benadering weer. Er schuilen dubbeltellingen in, onnauwkeurigheden, die door den grooten spoed waarmede het werk moest worden uitgevoerd, onvermijdelijk waren. Spreker zal zoo spoedig mogelijk de juiste gegevens verzamelen en aan de aanwezigen toezenden.
De Heer Sixma deelt mede, dat de Duitsche autoriteiten hebben beslist, dat de lompenventers uit de werkverruiming moeten terugkomen.
De Heer Meyer de Vries voegt hieraan toe, dat dit ook met de diamantbewerkers het geval is.
De Heer v. Delft deelt mede, dat hij een telex-bericht heeft ontvangen, dat hij op 10 Januari 1402 Amsterdamsche Joden in de werkverruiming moet plaatsen en op 20 Januari d.a.v. een aantal Joden uit alle andere Gemeenten van ons land. Spreker heeft reeds enkele opgaven ontvangen van districten, omtrent de aantallen ingeschreven werkloozen, doch spreker meent, dat dit niet voldoende is. Spreker acht het wenschelijk, dat de Joodsche Raad aan de belanghebbenden een opwekking stuurt.
De Heer Cohen merkt op, dat de Joodsche Raad niet over de adressen beschikt van de buiten Amsterdam gevestigde Joden. Alleen de kartotheek voor Amsterdam is gereed. Zooals spreker reeds de vorige maal heeft opgemerkt, heeft de Joodsche Raad echter geen publiekrechtelijke bevoegdheden. De Joodsche Raad kan niemand eenige verplichting opleggen, doch moet zich beperken tot het uitoefenen van moreelen dwang. Alleen ten aanzien van de buitenlandsche Joden kan de Joodsche Raad wel pressie uitoefenen. Zoodra de Joodsche Raad vernam, dat deze eveneens mochten worden geplaatst, heeft men met de oproeping een aanvang gemaakt. Het was echter te laat om nog op eenige schaal van beteekenis oproepingen uit te zenden.
De Heer v. Delft adviseert aan alle bekende adressen in Amsterdam een opwekking te zenden zich te laten inschrijven bij het Dit document vormt een belangrijke administratieve getuigenis van de voorbereidingen op de grootschalige gedwongen tewerkstelling van Joodse burgers.

  • Administratieve dwang: De tekst toont hoe de Nederlandse bureaucratie (Arbeidsbureau, Sociale Zaken) onder directe aansturing van de Duitse bezetter cijfers verzamelde en keuringen organiseerde.
  • De rol van de Joodsche Raad: Voorzitter David Cohen benadrukt hier zijn beperkte machtsmiddelen ("moreelen dwang") en gebrek aan data buiten Amsterdam. Dit illustreert de positie van de Raad als tussenpersoon die probeerde te laveren tussen de eisen van de bezetter en de belangen van de Joodse gemeenschap, in een tijd dat de volledige omvang van de Shoah nog niet zichtbaar was voor de betrokkenen.
  • Systematiek: De uitsluiting van specifieke beroepsgroepen zoals diamantbewerkers en lompenventers wijst op de Duitse bemoeienis met de economische inzetbaarheid versus de isolatie van Joden. De genoemde aantallen (ca. 3650 oproepen) laten zien hoe ingrijpend deze maatregelen in januari 1942 al waren. In januari 1942 veranderde het karakter van de 'werkverruiming' voor Joodse mannen in Nederland drastisch. Waar werkverruimingsprojecten voorheen bedoeld waren als werkloosheidsbestrijding, werden ze vanaf deze periode door de nazi's ingezet als instrument voor concentratie en isolatie.

Joodse mannen werden via de arbeidsbureaus opgeroepen voor keuringen en vervolgens naar werkkampen gestuurd (voornamelijk in het noorden en oosten van Nederland). Deze werkkampen fungeerden als voorportaal voor de deportaties. In de nacht van 2 op 3 oktober 1942 werden de kampen ontruimd en de dwangarbeiders samen met hun gezinnen naar kamp Westerbork gevoerd, om van daaruit naar de vernietigingskampen in Polen te worden gedeporteerd. Dit document legt het moment vast waarop de bureaucratische 'opwekking' tot deze tewerkstelling werd georganiseerd.

Samenvatting

Dit document vormt een belangrijke administratieve getuigenis van de voorbereidingen op de grootschalige gedwongen tewerkstelling van Joodse burgers.

  • Administratieve dwang: De tekst toont hoe de Nederlandse bureaucratie (Arbeidsbureau, Sociale Zaken) onder directe aansturing van de Duitse bezetter cijfers verzamelde en keuringen organiseerde.
  • De rol van de Joodsche Raad: Voorzitter David Cohen benadrukt hier zijn beperkte machtsmiddelen ("moreelen dwang") en gebrek aan data buiten Amsterdam. Dit illustreert de positie van de Raad als tussenpersoon die probeerde te laveren tussen de eisen van de bezetter en de belangen van de Joodse gemeenschap, in een tijd dat de volledige omvang van de Shoah nog niet zichtbaar was voor de betrokkenen.
  • Systematiek: De uitsluiting van specifieke beroepsgroepen zoals diamantbewerkers en lompenventers wijst op de Duitse bemoeienis met de economische inzetbaarheid versus de isolatie van Joden. De genoemde aantallen (ca. 3650 oproepen) laten zien hoe ingrijpend deze maatregelen in januari 1942 al waren.

Historische Context

In januari 1942 veranderde het karakter van de 'werkverruiming' voor Joodse mannen in Nederland drastisch. Waar werkverruimingsprojecten voorheen bedoeld waren als werkloosheidsbestrijding, werden ze vanaf deze periode door de nazi's ingezet als instrument voor concentratie en isolatie.

Joodse mannen werden via de arbeidsbureaus opgeroepen voor keuringen en vervolgens naar werkkampen gestuurd (voornamelijk in het noorden en oosten van Nederland). Deze werkkampen fungeerden als voorportaal voor de deportaties. In de nacht van 2 op 3 oktober 1942 werden de kampen ontruimd en de dwangarbeiders samen met hun gezinnen naar kamp Westerbork gevoerd, om van daaruit naar de vernietigingskampen in Polen te worden gedeporteerd. Dit document legt het moment vast waarop de bureaucratische 'opwekking' tot deze tewerkstelling werd georganiseerd.