Doorslag van een officiële brief/beschikking.
Origineel
Doorslag van een officiële brief/beschikking. 9 augustus 1940. Directeur van (vermoedelijk) de Gemeentelijke Marktdienst Amsterdam. Den Heer L. van Kolm, Lepelstraat 85 III, Amsterdam-Centrum. HG.
Extra
den Heer L. van Kolm,
Lepelstraat 85 III,
Amsterdam-Centrum.
Wijk 10.
25/152/22 M. 9 Augustus 1940.
Mij is gerapporteerd, dat U zich op Vrijdag 2 Augustus jl. op Uw plaats op de markt Albert Cuypstraat heeft laten assisteeren, terwijl U daarvoor dezerzijds geen toestemming was verleend. U heeft daarmede de voorwaarde overtreden, die was verbonden aan de U voorwaardelijk opgelegde straf, waarvan U met mijn brief d.d. 7 Mei jl. (No. 25/83/5 M.) mededeeling is gedaan. De bedoelde straf, zijnde ontneming van het recht om op de markten hier ter stede een plaats in te nemen voor den tijd van één dag, wordt thans ten uitvoer gelegd. Bovendien straf ik U, op grond van de overtreding van 2 Augustus jl. met ontneming van het recht om op de markten hier ter stede een plaats in te nemen, eveneens voor den tijd van een dag; beide straffen worden ten uitvoer gelegd op Maandag 12 en Dinsdag 13 Augustus a.s.
De Directeur, Het document is een officiële mededeling aan een marktkoopman, de heer L. van Kolm. Hij wordt gestraft omdat hij op de markt in de Albert Cuypstraat hulp heeft gehad zonder dat daar toestemming voor was gevraagd of verleend.
De strafmaat is tweeledig:
1. Tenuitvoerlegging van een eerdere straf: Van Kolm had al een voorwaardelijke straf (van 7 mei 1940) voor een eerdere overtreding. Omdat hij nu opnieuw de regels heeft overtreden, vervalt de voorwaarde en moet hij alsnog één dag van de markt wegblijven.
2. Nieuwe straf: Voor de huidige overtreding (het laten assisteren zonder toestemming) krijgt hij een nieuwe straf van één dag ontzegging.
Het resultaat is dat hij twee opeenvolgende dagen, maandag 12 en dinsdag 13 augustus 1940, niet op de Amsterdamse markten mag staan. De toon van de brief is strikt bureaucratisch en illustreert de nauwgezette handhaving van marktregels in die tijd. De datum van de brief, 9 augustus 1940, plaatst dit document in de vroege maanden van de Duitse bezetting van Nederland (die begon in mei 1940). Hoewel de brief een standaard administratieve afhandeling van een marktreglement lijkt, is de historische context van belang.
De ontvanger, L. van Kolm, woonde in de Lepelstraat, een straat in de buurt van het Amsterdamse Waterlooplein en de dierentuin Artis, een gebied met een grote Joodse populatie. In de loop van 1940 en 1941 begonnen de bezettingsautoriteiten en het collaborerende bestuur met het invoeren van steeds strengere beperkingen voor Joodse burgers, inclusief Joodse marktkooplieden. Hoewel deze specifieke brief gaat over een overtreding van het assisteren zonder vergunning, werden dergelijke strikte handhavingen vaak ingezet als onderdeel van een breder patroon van bureaucratische pesterijen en uitsluiting van Joodse ondernemers uit het openbare leven. Het document is een voorbeeld van hoe de dagelijkse administratie in bezettingstijd doorliep, terwijl de druk op specifieke bevolkingsgroepen toenam.