Archief 745
Inventaris 745-317
Pagina 308
Dossier 24
Jaar 1940
Stadsarchief

Officieel afschrift van een brief.

8 oktober 1940. Van: Burgemeester en Wethouders van Amsterdam (ondertekend door burgemeester Willem de Vlugt en secretaris Van Lier).

Origineel

Officieel afschrift van een brief. 8 oktober 1940. Burgemeester en Wethouders van Amsterdam (ondertekend door burgemeester Willem de Vlugt en secretaris Van Lier). [Stempel linksboven:] № 25/189 / 3 M. 1940 9/10
[Aantekening rechtsboven:] Markth. 858

GEMEENTE AMSTERDAM

Afd. L.M.
No. 861 1940.

Amsterdam, 8 October 1940.

A f s c h r i f t

[Stempel:] Gezien
[Handgeschreven paraaf/notitie:] Wha / de Kraan

In antwoord op Uw schrijven van 11 September j.l. No.23598 Afd. B.B.betreffende "Markthal te Amsterdam" berichten wij U het volgende.

Eenige jaren geleden is een garage, die een uitgang had zoowel aan het Gerard Douplein als aan de Albert Cuypstraat – in welke straat een dagmarkt wordt gehouden – verbouwd tot winkelgalerij, die den naam "De Passage" kreeg. Een twintigtal boxen erin werden verhuurd aan kooplieden, die beoogden er een soort overdekte marktgelegenheid van te maken. De inrichting bleek echter niet te slagen, waarom de eigenares der perceelen, de firma Haafkens en Versloot, Van Ostadestraat 232, alhier, ze aan een ons onbekenden makelaar heeft overgedaan. Laatstbedoelde heeft die naar het schijnt verhuurd aan het Staatsbedrijf der Posterijen. Thans wordt in die perceelen gewerkt om ze voor hun nieuwe bestemming als post- en telegraafkantoor in gereedheid te brengen. Uiteraard heeft de Gemeentelijke Dienst van het Marktwezen met deze particuliere onderneming in het geheel geen bemoeiing gehad. Een der kooplieden, die in de bovenbedoelde overdekte ruimte een standplaats had bezet, Erkediep, – die blijkens de bijlage, gevoegd bij Uw voornoemd schrijven, een der adressanten aan den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied was – heeft aan een ambtenaar van den Dienst van het Marktwezen verklaard, dat hij inmiddels door de Firma Haafkens en Versloot schadeloos is gesteld. Voor het overige is ons omtrent deze aangelegenheid niets bekend.

M.
n

Burgemeester en Wethouders van Amsterdam,

get. DE VLUGT.

de Secretaris,

(get.) VAN LIER.

den Secretaris-Generaal,
waarnemend Hoofd van het Departement
van Binnenlandsche Zaken
te 's-G r a v e n h a g e.

Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris,

[Handtekening:] Van Lier Deze brief dient als formele rapportage van het Amsterdamse gemeentebestuur aan het departement van Binnenlandse Zaken. De kern van de zaak betreft de mislukte commerciële exploitatie van een voormalige garage tussen het Gerard Douplein en de Albert Cuypstraat. Deze ruimte, omgedoopt tot "De Passage", was bedoeld als overdekte markt maar bleek niet levensvatbaar.

De brief verduidelijkt dat de gemeente Amsterdam geen enkele bemoeienis had met dit project, aangezien het een privaat initiatief was van de firma Haafkens en Versloot. Interessant is de melding dat het pand inmiddels is verhuurd aan het Staatsbedrijf der Posterijen (de latere PTT) om te dienen als postkantoor. De brief lijkt vooral bedoeld om de verantwoordelijkheid van de gemeente af te wijzen naar aanleiding van een klacht die via de Rijkscommissaris was binnengekomen. Het document dateert van oktober 1940, slechts enkele maanden na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De context van de bezetting is duidelijk zichtbaar in de verwijzing naar de "Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied" (Arthur Seyss-Inquart).

Een van de gedupeerde kooplieden, genaamd Erkediep, had zich blijkbaar rechtstreeks tot de Duitse bezettingsautoriteiten gewend met een klacht over het sluiten van de markthal. In de vroege bezettingsjaren probeerden burgers en ondernemers soms hun recht te halen via de nieuwe Duitse machthebbers als de lokale bureaucratie niet voldeed. De gemeente Amsterdam haast zich hier te verklaren dat de klager inmiddels schadeloos is gesteld en dat de overheid (de Gemeentelijke Dienst van het Marktwezen) part noch deel had aan de commerciële mislukking van de "Passage". De genoemde burgemeester Willem de Vlugt bleef aan tot begin 1941, waarna hij door de bezetter werd ontslagen.

Samenvatting

Deze brief dient als formele rapportage van het Amsterdamse gemeentebestuur aan het departement van Binnenlandse Zaken. De kern van de zaak betreft de mislukte commerciële exploitatie van een voormalige garage tussen het Gerard Douplein en de Albert Cuypstraat. Deze ruimte, omgedoopt tot "De Passage", was bedoeld als overdekte markt maar bleek niet levensvatbaar.

De brief verduidelijkt dat de gemeente Amsterdam geen enkele bemoeienis had met dit project, aangezien het een privaat initiatief was van de firma Haafkens en Versloot. Interessant is de melding dat het pand inmiddels is verhuurd aan het Staatsbedrijf der Posterijen (de latere PTT) om te dienen als postkantoor. De brief lijkt vooral bedoeld om de verantwoordelijkheid van de gemeente af te wijzen naar aanleiding van een klacht die via de Rijkscommissaris was binnengekomen.

Historische Context

Het document dateert van oktober 1940, slechts enkele maanden na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De context van de bezetting is duidelijk zichtbaar in de verwijzing naar de "Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied" (Arthur Seyss-Inquart).

Een van de gedupeerde kooplieden, genaamd Erkediep, had zich blijkbaar rechtstreeks tot de Duitse bezettingsautoriteiten gewend met een klacht over het sluiten van de markthal. In de vroege bezettingsjaren probeerden burgers en ondernemers soms hun recht te halen via de nieuwe Duitse machthebbers als de lokale bureaucratie niet voldeed. De gemeente Amsterdam haast zich hier te verklaren dat de klager inmiddels schadeloos is gesteld en dat de overheid (de Gemeentelijke Dienst van het Marktwezen) part noch deel had aan de commerciële mislukking van de "Passage". De genoemde burgemeester Willem de Vlugt bleef aan tot begin 1941, waarna hij door de bezetter werd ontslagen.