Handgeschreven ambtelijke notitie / gespreksverslag.
Origineel
Handgeschreven ambtelijke notitie / gespreksverslag. 16 september 1941 (betreft bespreking van 15 september 1941). Brandstoffenmarkt
Bedrijf A.B.C. erfpachtsterrein
t.o. Kamonkelkade
Bespreking 15 Sept in Stadhuis
Aanw. hh. Scheffer en Inckel
Afgesproken: Meer nagaan
hoe de positie is van A.B.C.
op genoemde plaats o.a. ten opzichte
van andere zaken ter plaatse.
Welke zaken?
Welke soort klandizie?
A.B.C. leveringen ook bijv.
aan industrie? In welke mate?
In hoeverre kleinverkoop ter
plaatse voor A.B.C. overwegend
belang?
Bij onderzoek kan met
betrokkene worden gesproken.
~~Eventueel~~
Reden onderzoek: opdracht
Directie.
[Linksonder, later toegevoegd:]
afgedaan
zie rapport
oct ’41
Akker
Th. de Haan
Bespreken.
[Rechtsonder:]
16-9-’41
[paraaf]
202. Het document is een interne instructie of memo naar aanleiding van een ambtelijk overleg. De kern van de zaak is een feitenonderzoek naar de bedrijfsvoering van een firma die wordt aangeduid als "Bedrijf A.B.C." (mogelijk een afkorting voor een kolen- of brandstoffenhandel).
De onderzoeksvragen zijn specifiek gericht op:
1. Concurrentiepositie: Hoe verhoudt dit bedrijf zich tot andere bedrijven op hetzelfde terrein?
2. Klantprofiel: Levert men aan de industrie of aan particulieren (kleinverkoop)?
3. Bedrijfsvoering: Is de verkoop op de locatie zelf van doorslaggevend belang voor het bestaansrecht van de firma op die plek?
De notitie is zakelijk en puntsgewijs opgesteld. De doorhaling van "Eventueel" suggereert een besluitvaardigheid: het horen van de betrokkene is blijkbaar geen optie meer, maar een onderdeel van het proces. De aantekeningen onderaan bevestigen dat de opdracht is uitgevoerd ("afgedaan") en dat er in oktober 1941 een definitief rapport is verschenen. Dit document stamt uit september 1941, tijdens de Duitse bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. In deze periode was de distributie van brandstoffen (zoals kolen en antraciet) strikt gereguleerd en gerantsoeneerd door de overheid via het Rijksbureau voor Brandstoffen.
De locatie "tegenover de Kamonkelkade" plaatst het dossier in Amsterdam-Noord, een gebied dat destijds veel industriële bedrijvigheid en opslagplaatsen aan het water kende. De bemoeienis van de "Directie" en de bespreking in het "Stadhuis" wijzen op een onderzoek door de gemeente Amsterdam, mogelijk door de Dienst der Publieke Werken (die over erfpacht ging) of de plaatselijke distributiedienst.
In de context van de schaarste in 1941 was het voor de autoriteiten van cruciaal belang om precies te weten welke brandstoffenhandelaren welke rol speelden in de keten (industrie versus particuliere huishoudens) om zo de schaarse voorraden efficiënt te kunnen beheren of om eventuele onregelmatigheden in de handel op te sporen. Heren Scheffer en Inckel (aanwezig bij bespreking); Th. de Haan; Akker (ondertekenaar/behandelaar).