Handgeschreven ambtelijke notitie of concept-brief.
Origineel
Handgeschreven ambtelijke notitie of concept-brief. Naar aanleiding
van Uw briefkaart van
14 Febr. jl bericht ik U,
dat bij een dezerzijds
ingesteld onderzoek
is gebleken, dat U
gedurende het jaar
1940 geen plaats
voor den verkoop van eet-
of drinkwaren op de
markten te Amsterdam
heeft bezet. 10/3/41
[onleesbare paraaf]
[in rood potlood]: 25/2-6/2 17 [initialen: K D(?) m] De tekst is een formele afwijzing of feitelijke vaststelling door een Amsterdamse instantie (waarschijnlijk de Marktwezen-administratie). De kern van de boodschap is dat de geadresseerde in het kalenderjaar 1940 officieel geen marktplaats heeft bezet voor de verkoop van levensmiddelen.
Enkele specifieke kenmerken:
* Taalgebruik: Het gebruik van "dezerzijds" en de verbogen vorm "den verkoop" is typerend voor de formele, ambtelijke correspondentie van de vroege 20e eeuw.
* Handschrift: Het betreft een vlot 'lopend' handschrift met lussen, kenmerkend voor iemand die gewend is veel administratief werk te verrichten.
* Annotaties: De rode cijfers onderaan ("25/2-6/2 17") betreffen hoogstwaarschijnlijk een archief- of dossierkenmerk, toegevoegd tijdens het verwerken van de correspondentie. Het document is gedateerd op 10 maart 1941, midden in de Tweede Wereldoorlog tijdens de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode was de controle op de voedselvoorziening en handel op de markten extreem streng vanwege schaarste en distributieregels.
Deze specifieke verklaring — dat iemand géén plek bezette — kan verschillende achtergronden hebben:
1. Rechtsherstel of vergunningen: De ontvanger probeerde mogelijk aan te tonen dat hij recht had op een plek, wat door dit onderzoek wordt weersproken.
2. Uitsluiting: Vanaf begin 1941 werden Joodse marktkooplieden stelselmatig van de markten geweerd. Administratieve controles naar wie waar stond in 1940 waren in die context aan de orde van de dag.
3. Fiscale redenen: Bewijslast voor het al dan niet genoten hebben van inkomsten uit markthandel.