Handgeschreven brief (bezwaarschrift/verzoekschrift).
Origineel
Handgeschreven brief (bezwaarschrift/verzoekschrift). 19 maart 1941. G. Budde, Korte Leidschedwarsstraat 58 II, Amsterdam. N° 25/37/1 M. 1941 20/3
Amsterdam 19 Maart '41
m. m. [diagonaal geschreven]
M. M.
Daar ik aangeslagen ben voor het
jaar 1940 voor een bedrag van f 1.-, voor keurings
recht wegens het innemen van een plaats op de markt
Albert Cuijp straat met een aan keuring recht onderhevig
artikel (doch in 1940 nimmer een plaats op de markt
heb ingenomen) verzoek ik U beleefd, een bewijs
van U ter staving om vrijstelling voor dezen aan-
slag te verkrijgen. Sinds 2 Jan 1940 werk ik voor
defensie. Uw antwoord tegemoet ziende
Hoogachtend
G. Budde
Korte - Leidsche dwarsstr 58 II
Amsterdam. In deze brief maakt de heer G. Budde bezwaar tegen een belastingaanslag van één gulden. Deze aanslag betreft het zogenaamde "keuringsrecht" voor het jaar 1940. Keuringsrecht was een vergoeding die marktkooplieden moesten betalen voor het laten keuren van specifieke goederen (zoals vlees of vis) die zij op de markt verkochten.
De afzender voert als voornaamste argument aan dat hij in heel 1940 geen enkele keer een staanplaats op de Albert Cuypmarkt heeft ingenomen. De reden hiervoor is dat hij sinds 2 januari 1940 werkzaam is "voor defensie". Hij verzoekt de Marktmeester om een officieel bewijsstuk dat bevestigt dat hij geen marktplaats heeft bezet, zodat hij dit kan gebruiken om vrijstelling van de betaling te krijgen. Het document dateert van maart 1941, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De verwijzing naar het werken voor "defensie" sinds januari 1940 is historisch interessant. In januari 1940 was het Nederlandse leger nog volledig gemobiliseerd vanwege de oorlogsdreiging. Veel mannen die voor de oorlog een ambacht of handel dreven (zoals op de Albert Cuypmarkt), werden opgeroepen voor militaire dienst.
Na de capitulatie in mei 1940 bleven veel militairen in eerste instantie in dienst voor opruimingswerkzaamheden of administratieve taken voordat het leger definitief werd ontbonden. De brief illustreert de bureaucratische realiteit van die tijd: zelfs tijdens een bezetting en na een mobilisatie liep de gemeentelijke belastingadministratie door, waarbij burgers genoodzaakt waren bewijsstukken te overleggen voor minieme bedragen (zoals de genoemde één gulden) om aan hun financiële verplichtingen te ontkomen. G. Budde M.