Archiefdocument
Origineel
14 mei 1941. A. Schelvis, Lepelstraat 76 II, Amsterdam. No 25/57/1 M.1941 16/5 [stempel]
zie Insp [potloodaantekening]
Amsterdam 14 Mei 1941
Mijnheer
Beleefd doch dringend verzoek ik u langs deze
weg, ontheffing van betaling, van 't marktgelde
voor mijn standplaats (kermsplaats) op de Albert
Cuypstr markt no 188. redene hiervan zijn
dat ik al circa 1 jaar zonder verdienste ben
steun vraag ik niet, omrede ik inkomen van mijn
kinderen heb. opgeven kan of wil ik mijn plaats
niet omrede dit mijn eenigste bron van inkomen
is, ik hoop dat u aan mijn verzoek kan voldoen
inmiddels mijn dank
achtend
A Schelvis
Lepelstraat 76 II
Amsterdam In deze brief verzoekt A. Schelvis, een marktkoopman woonachtig in de Lepelstraat, om ontheffing van de betaling van het marktgeld voor zijn standplaats (nummer 188) op de Albert Cuypmarkt.
De schrijver voert een schrijnende reden aan: hij heeft al ongeveer een jaar lang geen verdiensten meer uit zijn handel. Opvallend is dat hij expliciet vermeldt dat hij geen aanspraak wil maken op "steun" (sociale uitkering), omdat hij financieel wordt bijgestaan door zijn kinderen. Hij weigert echter zijn standplaats op te geven, omdat dit zijn enige (toekomstige) bron van eigen inkomsten is.
De taal in de brief is enigszins informeel gespeld ("marktgelde", "redene", "eenigste"), wat duidt op een burger die met beperkte middelen probeert zijn formele zaak te bepleiten bij de overheid. De datum van de brief, 14 mei 1941, is van groot historisch belang. Het is exact één jaar na de capitulatie van Nederland aan nazi-Duitsland. Amsterdam bevindt zich in het hart van de bezetting.
De Albert Cuypmarkt was destijds een plek waar veel Joodse handelaren werkten. De naam "Schelvis" is een veelvoorkomende naam binnen de Amsterdams-Joodse gemeenschap. In de loop van 1941 voerden de bezetters steeds strengere anti-Joodse maatregelen in, waaronder beperkingen op handel en economische activiteit. Het feit dat de schrijver meldt al een jaar "zonder verdienste" te zijn, valt samen met de eerste periode van de bezetting waarin de economische positie van Joodse burgers stelselmatig werd afgebroken. Slechts enkele weken na deze brief, in juni 1941, zouden Joden officieel van de reguliere markten worden geweerd en werden ze gedwongen naar specifieke "Jodenmarkten" te gaan.
Deze brief documenteert de wanhoop van een kleine ondernemer die probeert te overleven en zijn enige resterende bezit (de standplaats) te behouden in een periode van toenemende uitsluiting en armoede. A. Schelvis