Archief 745
Inventaris 745-349
Pagina 471
Dossier 11
Jaar 1941
Stadsarchief

Ambtelijk schrijven/rapportage.

6 oktober 1941.

Origineel

Ambtelijk schrijven/rapportage. 6 oktober 1941. VD/HG. [handgeschreven: later]

25/58/9 M.
6 October 1941.

Klacht C.H.Blanken over
markt Albert Cuypstraat.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .

        Onder terugzending van het met Uw kantbrief d.d.

20 Augustus jl. om advies ontvangen stuk no.633 L.M.1941 heb
ik de eer U te berichten, dat ik naar de onderhavige aange-
legenheid een uitgebreid onderzoek heb doen instellen, waar-
bij het volgende is gebleken.
De plaats, welke door N.J.Dekker sedert eenige
maanden, vóór zijn winkel, dagelijks op de markt Albert
Cuypstraat als losse plaats (en niet als vaste, zooals adres-
sant schrijft) wordt ingenomen, is de vaste plaats van wijlen
den koopman Werkendam. Deze koopman is, na geruimen tijd
wegens ziekte van de markt afwezig te zijn geweest, ongeveer
4 weken geleden overleden; de weduwe, die thans steun geniet,
weigert vooralsnog om van de betreffende plaats afstand te
doen.
Omtrent het feit, dat de winkelier Dekker sedert
eenigen tijd een plaats op de markt voor zijn winkel inneemt,
kan ik U het volgende mededeelen. De vader van Dekker had
tot 1933 een plaats vóór zijn winkel in de Albert Cuypstraat.
In dat jaar overleed Dekker Sr., waarop de plaats dezerzijds
werd ingetrokken. Een verzoek van Dekker Jr. om de plaats op
zijn naam over te schrijven, werd destijds door het Gemeente-
bestuur afgewezen (vide hieromtrent mijn brief d.d. 29 Novem-
ber 1933 No.1372 M. en den brief van den toenmaligen Wethou-
der voor de Levensmiddelen d.d. 23 December 1933 No.25/9 L.M.
1933). Ook herhaalde verzoeken van Dekker Jr. nadien, om hem
de plaats voor zijn winkel als vaste plaats aan te wijzen,
worden tot nu toe steeds afgewezen. Inmiddels heeft Dekker Jr.
zich op de sollicitantenlijst voor de Albert Cuypstraat doen
inschrijven. Waar de plaats voor zijn winkel niet is bezet
en zich daarvoor - behalve wellicht adressant - ook geen ge-
gadigden aanmelden om deze plaats als losse plaats te bezet-
ten, kon de betreffende plaats tot nu toe steeds als losse
plaats aan Dekker worden toegewezen. Deze ambtelijke brief vormt een reactie op een klacht van C.H. Blanken over het gebruik van een marktplaats op de Albert Cuypmarkt door winkelier N.J. Dekker. Uit het onderzoek blijkt dat Dekker een plek direct voor zijn winkel gebruikt als "losse plaats".

De bureaucratische voorgeschiedenis is complex: de bewuste plek was de vaste standplaats van koopman Werkendam, die recentelijk was overleden. De weduwe van Werkendam behield formeel de rechten op de plek. Dekker zelf probeerde al sinds het overlijden van zijn vader in 1933 tevergeefs de vaste rechten op de plek voor zijn winkel te verkrijgen. Omdat de plek echter officieel onbezet was (als vaste standplaats) en er geen andere gegadigden waren voor een dagvergunning (losse plaats), werd het gebruik door Dekker gedoogd. De brief toont de strikte handhaving van marktverordeningen en de langdurige administratieve procedures rondom standplaatsen. Het document dateert van oktober 1941, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De Albert Cuypmarkt was in deze periode een brandpunt van spanningen. De vermelding van de overleden koopman "Werkendam" is historisch saillant; dit is een veelvoorkomende Joodse achternaam in Amsterdam. In 1941 werden Joodse marktkooplieden stelselmatig van de openbare markten verdreven naar specifieke "Jodenmarkten".

Hoewel de brief een puur administratieve toon aanslaat over standplaatsrechten, vindt deze correspondentie plaats in een tijd waarin de economische positie van Joodse Amsterdammers (zoals mogelijk de familie Werkendam) werd vernietigd. De weigering van de weduwe om afstand te doen van de plaats, ondanks dat zij "steun geniet" (sociale bijstand), onderstreept de precaire overlevingsstrijd van die tijd. Dergelijke documenten boden de bezetter en het collaborerende of meewerkende ambtenarenapparaat de administratieve basis voor de herverdeling van economische middelen.

Samenvatting

Deze ambtelijke brief vormt een reactie op een klacht van C.H. Blanken over het gebruik van een marktplaats op de Albert Cuypmarkt door winkelier N.J. Dekker. Uit het onderzoek blijkt dat Dekker een plek direct voor zijn winkel gebruikt als "losse plaats".

De bureaucratische voorgeschiedenis is complex: de bewuste plek was de vaste standplaats van koopman Werkendam, die recentelijk was overleden. De weduwe van Werkendam behield formeel de rechten op de plek. Dekker zelf probeerde al sinds het overlijden van zijn vader in 1933 tevergeefs de vaste rechten op de plek voor zijn winkel te verkrijgen. Omdat de plek echter officieel onbezet was (als vaste standplaats) en er geen andere gegadigden waren voor een dagvergunning (losse plaats), werd het gebruik door Dekker gedoogd. De brief toont de strikte handhaving van marktverordeningen en de langdurige administratieve procedures rondom standplaatsen.

Historische Context

Het document dateert van oktober 1941, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De Albert Cuypmarkt was in deze periode een brandpunt van spanningen. De vermelding van de overleden koopman "Werkendam" is historisch saillant; dit is een veelvoorkomende Joodse achternaam in Amsterdam. In 1941 werden Joodse marktkooplieden stelselmatig van de openbare markten verdreven naar specifieke "Jodenmarkten".

Hoewel de brief een puur administratieve toon aanslaat over standplaatsrechten, vindt deze correspondentie plaats in een tijd waarin de economische positie van Joodse Amsterdammers (zoals mogelijk de familie Werkendam) werd vernietigd. De weigering van de weduwe om afstand te doen van de plaats, ondanks dat zij "steun geniet" (sociale bijstand), onderstreept de precaire overlevingsstrijd van die tijd. Dergelijke documenten boden de bezetter en het collaborerende of meewerkende ambtenarenapparaat de administratieve basis voor de herverdeling van economische middelen.