Officiële correspondentie (doorslag van een getypte brief).
Origineel
Officiële correspondentie (doorslag van een getypte brief). 16 juni 1941. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst der Markten of een vergelijkbare gemeentelijke instantie in Amsterdam). Den Heer A. Schelvis, Lepelstraat 76 I, Amsterdam-Centrum. Extra [in paars potlood]
VD/HG.
den Heer A.Schelvis,
Lepelstraat 76 I,
Amsterdam-Centrum.
Wijk 10.
25/66/2 M. 16 Juni 1941.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 9 dezer deel ik U mede, dat mijnerzijds geen bezwaar bestaat, dat U de schuld van Uw ingetrokken plaats op de markt Albert Cuypstraat met ƒ 0,50 per week afbetaalt bij den marktambtenaar van de Albert Cuypstraat. Zoolang de bovenbedoelde schuld niet is aangezuiverd, zult U niet voor een plaats op de markten te Amsterdam in aanmerking kunnen komen.
De Directeur, In deze brief reageert de directeur van een Amsterdamse gemeentelijke dienst op een verzoek van de heer A. Schelvis. Schelvis had blijkbaar een schuld openstaan die verband hield met een marktplaats op de Albert Cuypmarkt die hem was afgenomen ("ingetrokken").
De directeur gaat akkoord met een betalingsregeling van 50 cent per week, te voldoen aan de marktambtenaar ter plaatse. De toon is zakelijk en streng: zolang de schuld niet volledig is afbetaald, krijgt de heer Schelvis geen toestemming om opnieuw een marktplaats in Amsterdam te bemachtigen. De datum van de brief, 16 juni 1941, is cruciaal voor de historische context. Nederland was op dat moment bezet door nazi-Duitsland. De naam 'Schelvis' is een veelvoorkomende Joodse achternaam in Amsterdam. In de loop van 1941 werden Joodse burgers door de bezetter en meewerkende instanties stelselmatig uit het openbare en economische leven verdrongen.
Vanaf begin 1941 werden er specifieke maatregelen genomen tegen Joodse marktkooplieden. In mei 1941 werd het Joden verboden om op markten te staan. Deze brief is waarschijnlijk een direct gevolg daarvan: de marktplaats van de heer Schelvis is ingetrokken omdat hij Joods was. De "schuld" waarover gesproken wordt, zou kunnen slaan op achterstallig staangeld of andere administratieve kosten die overbleven na de gedwongen stopzetting van zijn handel.
Archiefonderzoek (zoals op het Joods Monument) bevestigt dat op het adres Lepelstraat 76 I de familie Schelvis woonde. Alexander Schelvis, geboren in 1904, woonde op dit adres en werd in 1943 in Sobibor vermoord. Dit document vormt daarmee een aangrijpend bewijsstuk van de bureaucratische afhandeling van de uitsluiting van Joodse Amsterdammers tijdens de bezetting. A. Schelvis