Administratief dossierstuk (Bijblad).
Origineel
Administratief dossierstuk (Bijblad). Het stuk bevat diverse data: 12 juni 1941 (doorgezonden), 13 juni 1941 (aanvraag advies), 16 juni 1941 (advies) en 8 juli 1941 (finale notitie). [Linksboven, in gedrukt kader]
BIJBLAD VAN:
M. No. 15/69/1 1941
DOORGEZONDEN: 12/6-1941.
[Rechtsboven, handgeschreven in potlood/lichte inkt]
575
m. Insp.
advies s.v.p.
[onleesbare initialen] 13/6 41
[Rechtsmidden, handgeschreven]
Hr. Vollenkerken
advies
16-6-'41
de Haan
[Hoofdtekst, handgeschreven]
Voor beantwoording, zie rapport
Chef marktopzichter.
Ten aanzien van punt 2 ~~acht ik~~ nog de volge-
de opmerking. Ingevolge het bij art. 27 bepaalde
~~moeten~~ de stallenzetters de stallen plaatsen.
~~voor den aanvang der markt~~ De opmerking
dat des morgens om 8 uur ~~in het bijze...~~
juist voor Joodsche kooplieden stallen worden
geplaatst is een insinuatie. De stallen van
al de kooplieden die plaats gaan in-
nemen worden door de stallenzetters vóór
den aanvang der markt geplaatst.
8-7-'41
de Haan Dit document betreft een ambtelijke reactie op een klacht of bewering over de gang van zaken op een markt tijdens de Duitse bezetting. De auteur, De Haan, reageert op een "insinuatie" (beschuldiging) dat er voor Joodse kooplieden om 8:00 uur 's ochtends specifiek stallen zouden worden geplaatst.
De schrijver verdedigt de gevolgde procedure door te verwijzen naar Artikel 27 van de marktverordening: alle stallen voor álle kooplieden worden door de stallenzetters geplaatst voordat de markt officieel begint. Hiermee wordt de suggestie van een voorkeursbehandeling of een afwijkende procedure voor Joodse handelaren ontkracht. De vele doorhalingen in de tekst duiden op een voorzichtige en weloverwogen formulering van deze ambtelijke ontkenning. De datering van juni/juli 1941 plaatst dit document in een duistere fase van de Nederlandse geschiedenis. Tijdens de bezetting werden Joodse burgers stapsgewijs uit het openbare leven en de economie verdrongen. Hoewel Joden in de zomer van 1941 nog beperkt handel mochten drijven op markten, was er vanuit nationaalsocialistische hoek veel kritiek op hun aanwezigheid.
Dergelijke "insinuaties" over vermeende privileges voor Joden waren in die tijd vaak de opmaat naar strengere uitsluitingsmaatregelen. Niet lang na de datum van dit document, in de herfst van 1941, zouden Joodse kooplieden volledig van de algemene markten worden geweerd en verbannen worden naar aparte "Jodenmarkten". Dit document toont hoe de bureaucratische molen van de marktmeesterij betrokken raakte bij de toenemende segregatie en spanningen rondom de Joodse bevolking.