Brief (typgeschreven afschrift).
Origineel
Brief (typgeschreven afschrift). 7 juni 1941. Fr. Brandt, Da Costastraat 75 hs, Amsterdam-W. No. 25/69/1 M.1941 12/6 AFSCHRIFT.
No. 606 L.M.1941
Amsterdam, 7 Juni 1941.
Fr. Brandt
Amsterdam-W.
Da Costastr. 75 hs.
Den H.E. Ab. Heer Regeeringscommissaris
en Burgemeester van Amsterdam.
H.E. A. Heer,
Het zij mij vergund het verzoek tot U te richten om eenige verbetering te doen
aanbrengen bij het Marktwezen.
Onder meer bezoek ik als marktkoopman in boeken de markt Albert Cuypstraat. Of
men daar om 8 uur is of 11 uur maakt niet veel verschil, niet voor ongeveer half
elf verschijnt de chef-marktmeester met gevolg en houdt een primitieve loterij.
Mijn verzoek is:
1e. te komen tot een aanvang op vroeger tijdstip, als bijv. vaste standplaats-
houders zich niet om 9 uur gemeld hebben, wordt hun naam of nummer van een bord
of tabel afgevoerd en komen deze plaatsen aan voorkeurskaarthouders, in volgorde
van hunne aanmelding, bijv. een ½ uur later te stellen en zoo vervolgens andere
gegadigden. Hierdoor krijgt men een ordelijke markt en kan wie werken wil, aan-
pakken.
2e. In dit verband wijs ik ook op het misbruik dat in het bijzonder door de
Joodsche kooplieden wordt begaan om door stallebazen, hun kramen ledig neer te
zetten, waardoor andere uren moeten wachten. Verder, dat onder deze menschen het
gebruik bestaat, met vrouw, schoonouders enz. meerdere plaatsen te bezetten of
gelijktijdig andere markten te bezoeken.
3e. Ten slotte, alles naar mijn bescheiden meening zou het aanbevelenswaardig
zijn te eischen, dat ieder zijn naam, beroep, adres openlijk moet vermelden om
optreden van steungenietenden en dergelijke den kop in te drukken.
4e. Waar ik toch aan het schrijven ben, vestig ik verder Uw aandacht op de verre-
gaande verontreiniging der trottoirs en goten in de Albert Cuypstraat en het
vieze kleedjeskloppen tusschen 9 en 10 uur, hetgeen in Rotterdam, naar U eens
zult zijn, zeer terecht in het geheel niet toegestaan is.
Hopende, dat mijn verzoek mag bijdragen tot het algemeen belang, met ver-
schuldigde hoogachting,
van U.H.E.A.dw.dnr.
w.g. F. Brandt. * **Vorm:** Het betreft een officieel afschrift van een brief, herkenbaar aan de aanduiding "AFSCHRIFT" en "w.g." (was getekend). De brief is opgesteld in de toen gangbare ambtelijke stijl met een uiterst beleefde slotformule ("U.H.E.A.dw.dnr." staat voor *Uw HoogEdelAchtbare dwangdienstige/onderdanige dienaar*).
- Inhoud: De afzender, een boekhandelaar op de markt, klaagt over de inefficiënte organisatie op de Albert Cuypmarkt. Hij stoort zich aan de late start van de standplaatsverdeling en stelt een strikter regime voor.
- Kernpunten:
- Kritiek op de werkwijze van de marktmeester (de "loterij").
- Beschuldigingen van onreglementair gedrag door "Joodsche kooplieden".
- De wens om "steungenietenden" (mensen met een uitkering) te weren van de markt door middel van identificatieplicht.
- Kritiek op de openbare hygiëne (vervuiling en kleedjeskloppen). Deze brief is geschreven tijdens de Duitse bezetting van Nederland (juni 1941). De context van de Tweede Wereldoorlog is duidelijk merkbaar in de toon en de argumentatie:
- Bestuur: De "Regeeringscommissaris" Edward Voûte werd door de nazi-bezetter aangesteld nadat de Amsterdamse gemeenteraad buiten spel was gezet.
- Antisemitisme: De briefschrijver maakt gebruik van de heersende anti-Joodse sentimenten van de bezetter om zijn eigen economische positie te verbeteren of concurrentie dwars te zitten. In 1941 werden de maatregelen tegen Joodse marktkooplieden steeds verder aangescherpt; kort na deze brief zouden Joden definitief van de markten worden verbannen.
- Sociale Controle: De oproep om "steungenietenden" aan te pakken past in de nationaalsocialistische focus op discipline, arbeid en de bestrijding van vermeende sociale fraude.
- Vergelijking met Rotterdam: De verwijzing naar Rotterdam (waar het kleedjeskloppen verboden was) dient om het gezag in Amsterdam te prikkelen met een voorbeeld van 'betere' orde.