Archief 745
Inventaris 745-349
Pagina 528
Dossier 24
Jaar 1941
Stadsarchief

Ambtelijke brief/memorandum (doorslag).

17 juli 1941. Van: De Directeur (vermoedelijk van de Marktdienst of een aanverwante gemeentelijke dienst). Aan: Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Alhier (Amsterdam).

Origineel

Ambtelijke brief/memorandum (doorslag). 17 juli 1941. De Directeur (vermoedelijk van de Marktdienst of een aanverwante gemeentelijke dienst). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Alhier (Amsterdam). [Stempel/Kenmerk rechtsboven:] VD/HG.

[Handgeschreven in paars:] Extra

den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .

25/69/2 M. 1 17 Juli 1941.
Adres F.Brandt over
de dagmarkt Alb.Cuypstraat.

Onder terugzending van het met Uw kantbrief d.d. 11 Juni jl. om advies ontvangen stuk No.606 L.M.1941 heb ik de eer U te berichten, dat de regeling van de door adressant genoemde onderwerpen is vastgelegd in het Reglement op de Markten.

Dit Reglement, dat langzamerhand tot zijn huidigen vorm is gegroeid, is geheel in overleg met de organisaties van marktkooplieden tot stand gekomen, terwijl de wijzigingen eveneens steeds met de belanghebbende organisaties zijn behandeld; ik noem U als laatste wijziging, die van 1 Februari 1941 (Gemeenteblad Afd.III Volgno.7 1941), waarbij een aantal voorstellen van de zijde van het Agrarisch Front (toen nog Boerenfront) in overleg met de marktkoopliedenvereenigingen in het Reglement op de Markten zijn opgenomen.

Er is daarom naar mijn meening geen enkele aanleiding om een aantal wenschen van een individueelen marktkoopman, die eerst sedert 9 April jl. de markt bezoekt, in overweging te nemen. Ik geef U mitsdien beleefd in overweging op zijn verzoek afwijzend te beschikken.

De Directeur, In dit document adviseert de Directeur van een gemeentelijke dienst aan de wethouder om een verzoek van een individuele marktkoopman, de heer F. Brandt, af te wijzen. Brandt had blijkbaar wensen of bezwaren geuit over de gang van zaken op de dagmarkt in de Albert Cuypstraat.

De argumentatie van de Directeur is tweeledig:
1. Reglementaire basis: De regels voor de markt zijn vastgelegd in het officiële 'Reglement op de Markten'. Dit reglement is recentelijk (februari 1941) nog herzien in samenspraak met relevante organisaties.
2. Anciënniteit en collectief belang: De directeur stelt dat het reglement het resultaat is van collectief overleg. Hij vindt het ongepast om voor een individu dat pas zeer kort (sinds 9 april 1941) op de markt staat, af te wijken van afspraken die met grote belangenorganisaties zijn gemaakt.

De toon is formeel, ambtelijk en beslist. Er wordt kortetermijnbeleid gevoerd waarbij individuele protesten worden gesmoord met een beroep op recente regelgeving. De Bezettingstijd: De brief is gedateerd op 17 juli 1941, ruim een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De administratie van Amsterdam functioneert nog volgens de Nederlandse ambtelijke traditie, maar de invloed van de nieuwe orde is duidelijk zichtbaar.

Het Agrarisch Front: In de tekst wordt expliciet verwezen naar het Agrarisch Front (voorheen het Boerenfront). Dit was een nationaalsocialistische organisatie, gelieerd aan de NSB, die tot doel had de landbouw en de voedselvoorziening te reorganiseren volgens de principes van de bezetter. Het feit dat hun voorstellen in februari 1941 in het Marktreglement werden opgenomen, getuigt van de toenemende nazificatie van het Nederlandse openbare leven en de economische ordening.

De Albert Cuypmarkt: De Albert Cuypstraat was (en is) de belangrijkste markt van Amsterdam. Tijdens de bezetting was de markt een plek van spanning, zeker gezien de grote Joodse gemeenschap in de omliggende buurt (De Pijp). Kort na de datum van deze brief zouden de maatregelen tegen Joodse marktkooplieden en bezoekers steeds grimmiger en restrictiever worden. Hoewel deze brief over een individuele kwestie van ene F. Brandt lijkt te gaan, toont het de bureaucratische context waarin marktkooplieden moesten opereren onder toezicht van een apparaat dat steeds meer onder invloed van collaborerende instanties kwam te staan.

Samenvatting

In dit document adviseert de Directeur van een gemeentelijke dienst aan de wethouder om een verzoek van een individuele marktkoopman, de heer F. Brandt, af te wijzen. Brandt had blijkbaar wensen of bezwaren geuit over de gang van zaken op de dagmarkt in de Albert Cuypstraat.

De argumentatie van de Directeur is tweeledig:
1. Reglementaire basis: De regels voor de markt zijn vastgelegd in het officiële 'Reglement op de Markten'. Dit reglement is recentelijk (februari 1941) nog herzien in samenspraak met relevante organisaties.
2. Anciënniteit en collectief belang: De directeur stelt dat het reglement het resultaat is van collectief overleg. Hij vindt het ongepast om voor een individu dat pas zeer kort (sinds 9 april 1941) op de markt staat, af te wijken van afspraken die met grote belangenorganisaties zijn gemaakt.

De toon is formeel, ambtelijk en beslist. Er wordt kortetermijnbeleid gevoerd waarbij individuele protesten worden gesmoord met een beroep op recente regelgeving.

Historische Context

De Bezettingstijd: De brief is gedateerd op 17 juli 1941, ruim een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De administratie van Amsterdam functioneert nog volgens de Nederlandse ambtelijke traditie, maar de invloed van de nieuwe orde is duidelijk zichtbaar.

Het Agrarisch Front: In de tekst wordt expliciet verwezen naar het Agrarisch Front (voorheen het Boerenfront). Dit was een nationaalsocialistische organisatie, gelieerd aan de NSB, die tot doel had de landbouw en de voedselvoorziening te reorganiseren volgens de principes van de bezetter. Het feit dat hun voorstellen in februari 1941 in het Marktreglement werden opgenomen, getuigt van de toenemende nazificatie van het Nederlandse openbare leven en de economische ordening.

De Albert Cuypmarkt: De Albert Cuypstraat was (en is) de belangrijkste markt van Amsterdam. Tijdens de bezetting was de markt een plek van spanning, zeker gezien de grote Joodse gemeenschap in de omliggende buurt (De Pijp). Kort na de datum van deze brief zouden de maatregelen tegen Joodse marktkooplieden en bezoekers steeds grimmiger en restrictiever worden. Hoewel deze brief over een individuele kwestie van ene F. Brandt lijkt te gaan, toont het de bureaucratische context waarin marktkooplieden moesten opereren onder toezicht van een apparaat dat steeds meer onder invloed van collaborerende instanties kwam te staan.