Archiefdocument
Origineel
121 | Gemeenteblad afd. 1 A
No. 58. Zuidelijke polders van het IJsselmeer.
Naar het zich laat aanzien, zal binnen niet te langen tijd worden overgegaan tot den aanleg van de Zuidelijke polders van het IJsselmeer. De aanleg van deze polders is ongetwijfeld het belangrijkste werk van de drooglegging der Zuiderzee. Niet alleen de schaal van de werken, doch ook de veelzijdigheid der verschillende vraagstukken, welke zich hierbij voordoen, overtreffen alles wat tot nu toe in ons land op soortgelijk gebied tot stand werd gebracht. Het gaat hier immers om het scheppen van een nieuw land ter oppervlakte van niet minder dan 150.000 ha. Bedenkt men, dat de Haarlemmermeer rond 18.000 ha groot is, de Wieringermeer rond 20.000 ha en de Noordoostelijke Zuiderzeepolders 48.000 ha, dan geven deze cijfers in vergelijking met de gezamenlijke oppervlakte van de Zuidelijke polders een indruk van de schaal der werken, welke thans zullen worden ondernomen.
Wat betreft de bijzondere Amsterdamsche belangen: deze zijn van velerlei aard.
Zonder aanspraak te maken op een volledige opsomming, kan worden gewezen op de verkeersbelangen te land van de Hoofdstad des Rijks en haar agglomeratie met het nieuwe land zelf en door dit land heen met het noordoostelijke deel van ons land.
Mede vragen de aandacht de belangen van de scheepvaart Amsterdam-IJsselmeer vice versa (Enkhuizen, Harlingen, De Lemmer, Zwolle, enz.).
Ook mogen worden genoemd belangen van toerisme en van ontspanning voor de inwoners van Amsterdam, in het bijzonder bij een behoorlijke inrichting van de IJmeer-oevers.
Voorts doet zich een aantal vragen voor van technischen aard. Hierbij valt te denken aan de loozing van het Amsterdamsche afvalwater, de peilverlaging van het IJmeer en den invloed daarvan op de waterverversching.
Ook kan niet alleen het toekomstige zoutgehalte van den Noordzeekanaalboezem door de wijze van bemaling der nieuwe polders via het IJmeer en het Noordzeekanaal naar de Noordzee nadelig worden beïnvloed, doch daarbij kan de hoeveelheid te loozen water misschien aanleiding geven tot ongewenschte doorstroomingssnelheden op het IJ voor de stad.
Verder mag worden gewezen op de belangen, verbonden aan het behouden van een behoorlijk evenwicht tusschen de ondergrondsche waterlagen, waarbij ook de waterleidingbelangen nauw betrokken zijn.
Van groot belang voor het Marktwezen te Amsterdam kunnen voorts zijn de zuivel-, land- en tuinbouwproducten, welke in het nieuwe gebied zullen worden geproduceerd, alsmede de inrichting van het veilingswezen. Ook kan het Amsterdam niet onverschillig laten, hoe en waar andere dan op het agrarische bedrijf geöriënteerde industrieën zullen ontstaan. Eveneens is een zeer belangrijke vraag, of, wanneer, hoelang en hoeveel Amsterdamsche werklieden bij de uitvoering der werken te werk gesteld zullen kunnen worden. In dit document uit de Amsterdamse gemeenteraadsverslagen wordt de omvang en het belang van de toekomstige Zuidelijke IJsselmeerpolders (het huidige Flevoland) besproken. Enkele kernpunten:
- Schaalgrootte: De tekst benadrukt dat de geplande 150.000 hectare vele malen groter is dan eerdere projecten zoals de Wieringermeer en de Noordoostpolder.
- Infrastructuur: De nieuwe polders worden gezien als een cruciale landverbinding tussen Amsterdam en het noordoosten van Nederland.
- Milieu en Waterbeheer: Er worden zorgen geuit over de waterkwaliteit (verzilting van het Noordzeekanaal), de afvoer van Amsterdams afvalwater en de stabiliteit van de grondwaterstand.
- Economie en Werkgelegenheid: Men voorziet een impuls voor het Amsterdamse marktwezen door de nieuwe landbouwgronden en hoopt op aanzienlijke werkgelegenheid voor Amsterdamse arbeiders bij de uitvoering van deze enorme waterstaatswerken. Dit fragment stamt vermoedelijk uit de late jaren 1940 of vroege jaren 1950. De spelling (zoals "Amsterdamsche" en "technischen") wijst op het gebruik van de spelling-De Vries en Te Winkel, die officieel tot 1947 van kracht was maar in overheidsstukken vaak nog langer doorklonk. De Zuiderzeewerken waren in deze periode in volle gang; de Noordoostpolder was reeds drooggelegd (1942), en de planning voor Oostelijk- en Zuidelijk Flevoland bevond zich in een gevorderd stadium. Het document illustreert hoe de gemeente Amsterdam proactief haar strategische belangen trachtte veilig te stellen binnen dit nationale megaproject.