Archiefdocument
Origineel
4 november 1941 H. v. Leer De WelEd. Heer Directeur van het Marktwezen, Amsterdam [Linksboven:] No 103 / 9/1
[Stempel:] M. 1341 5/11
[Rechtsboven:] Amsterdam 4 Nov: 41
[In potlood, rechtsboven:] ni: Inrp / kan dus / niet
Aan den WelEd: Heer
Directeur van het Marktwezen
Amsterdam
M!
Daar ik een aanvraag heb gedaan om
in aanmerking te komen voor een standplaats
in speeltuin Waterlooplein en ik hiervoor ook een
oproep heb gekregen, zoo verzoek ik U beleefd
mits daartoe nog gelegenheid bestaat, om
een standplaats Rapenstraat. Bij nader inzien
is het mij gebleken, dat deze zich beter leent
voor de verkoop van mijn artikelen (lampenzijde
passementeriën en de verdere fournituren.
Een gunstig antwoord in deze tegemoetziende
Hoogachtend
H. v. Leer In dit schrijven verzoekt de heer H. v. Leer om een wijziging van zijn marktstandplaats. Hij had aanvankelijk een plek toegewezen gekregen op de "speeltuin Waterlooplein", maar vraagt nu om een standplaats in de Rapenstraat. Hij motiveert dit verzoek door te stellen dat de Rapenstraat commercieel gezien gunstiger is voor zijn specifieke handel: lampenzijde (zijde voor lampenkappen), passementeriën (sierband, franjes en koorden) en overige fournituren.
De handgeschreven potloodnotitie rechtsboven ("ni: Inrp / kan dus niet") wijst op een ambtelijke afwijzing van het verzoek. De afkorting "ni: Inrp" zou kunnen staan voor "niet in rapport" of een vergelijkbare administratieve term. Dit document is direct verbonden met de Jodenvervolging in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. In 1941 voerden de Duitse bezetters steeds meer beperkende maatregelen in voor Joodse burgers. Vanaf september 1941 mochten Joodse marktkooplieden in Amsterdam hun beroep alleen nog uitoefenen op speciaal daarvoor aangewezen "Joodse markten".
Zowel de speeltuin op het Waterlooplein als de Rapenstraat werden aangewezen als locaties voor deze markten. De afzender, Henri van Leer, probeerde binnen de nauwe grenzen van de bezettingsmaatregelen zijn nering voort te zetten. De korte, zakelijke afwijzing op de brief illustreert de bureaucratische onverzettelijkheid waarmee Joodse burgers in die periode te maken kregen bij hun pogingen om in hun levensonderhoud te voorzien.