Getypte brief (Afschrift)
Origineel
Getypte brief (Afschrift) Amsterdam, 7 juli 1942. M. Proost, Utrechtse Dwarsstraat 88, Amsterdam-C. Mijnheer De Directeur (waarschijnlijk van de Gemeente-Visafslag of de Rijksdienst voor de Voedselvoorziening). (Handgeschreven aantekening in rood bovenin: en brief of verslag van [...])
A f s c h r i f t .
No.46A/347/5 M. 27/8.
Amsterdam, 7 Juli 1942.
Mijnheer De Directeur,
In Uw schrijven van 12 Juni 1942 No. 1427 I/M Had U geen bezwaar in dien in de verdeeling van garnalen werd opgeno- men. Ik heb hier met 18 Juni j.l op geantwoord, dat ik wel tevreden maar niet voldaanwas en dat ik gaarne een volledige toewijzing had voor alle soorten visch versch, gerookt, ge- stoomd, garnalen en mosselen, en om U te overtuigen, dat ik in alle bovengenoemde artikelen gedaan heb en certificaat van een vergunning bij het schrijven heb gedaan, welk certi- ficaat is terugontvangen, Daarop heb op 24 Juni bericht gekregen, per brief No. 13069 v.d.Gr dat ik mij dienaangaande moest wenden tot den Directeur der Gemeente-Vischafslag ten mijnent doch deze mag buiten U niets doen; zooals U wel weet. Nu kreeg weer een schrijven van 1 Juli 1942 No. 1)/4 N.M. dat bij onderzoek is gebleken, dat ik gedurende vele jaren uit de vischhandel uit was. Nu ik zal U gaaan uit de droom helpen. In 1934 kregen wij Amsterdamsche venters een ventvergunning welke met maandelijksche plakzegels betaald werd. Ik zal er een blaadje uitscheuren dan kan U zien wat er mee bedoeld wordt. d ze vergunning werd in 1937 veranderd, toen kregen wij nieuwe vergunningen, die eens per jaar betaald moesten worden en deze vergun ing heb ik gehad tot April 1939. het opgebla- zen sinds vele jaren valt nog al wat op af te dinge vindt U ook niet ? Nu heb ik bijna drie jaar wegens ziekte geen ge- bruik kunnen maken van mijn vergunning, maar is buiten mijn schuld geweest. ik heb U ook in een van mijn brieven de be- wijzen gedaan, dat ik aan een slepende zoekte heb geleden, waarvan ik nu genezen ben en ik heb altijd gehoord, dat wanneer een ambtenaar of werkman ziek is geweest, hij weer in dezelfde rechten treedt als voor zijn ziek zijn, zoo gaat het mij ook, Ook ik heb het recht mijn brood te verdienen, niemand heeft het recht mij daarin te belemmeren, OOk geen zoogenaamde verdeelingscommissie bestaande uit vischventers voor deze waren zij leden van de communistische vereeniging de eendracht met een Jood als voorzitter. Nu zijn ze anders niet uit principe maar om de voordeelen der mosselenverkoop en de dubbele toewijzingen,waaarmee ze in hun zak loopen. Ik hoop nu maar, dat ik U voldoende heb ingelicht, dat het vele jaren uit den vischhandel een groote onjuistheid is om maar geen mispla tste grap te noemen; U hebt gerust met geen kind te doen, die men emt een kluitje in het riet kunt sturen. Ik ben 34 jaren in den vischhandel op zulk een langen staat van dienst kan geen een van de leden der verdeelingscommissie roemen. Ik verlang dan ook, dat ik door U eerlijk en onbevoordee d zal worden behan- deld. Ik neem volstrekt geen gedeeltelijke toewijzing, doch het volle pond en die moet bij U vandaan komen. In Amsterdam met al hun wil keur kunnen zij toch niets buuten U beginnen. Krijg ik in weerwil van alles toch niet waar ik recht op heb dan wend ik mij tot den vertegenwoordiger van de Rijkscommissaris van de duitsche instantie, of schoon nietbgaarbem want ik zou het ongelukkig vinden, om mij als geboøren Nederlander tot een vreemde instantie te moeten wenden en ik wend mij ook tot A.A.Mussert en prof dr.Van Genegten, God zegen hun, mensen, die zelf veel onrecht hebben geleden. Zij zullen mij beter begrijpen met hoogachting M.Proost
Verg houder 39 serie 139.
Ingeschreven Ned.Vissch.cent. Utrechtschedw.str. 88.
Amsterdam-C. * Kern van het geschil: M. Proost, een visventer uit Amsterdam, vecht een besluit aan waarbij hem een volledige toewijzing van viswaren (quota) wordt geweigerd. De autoriteiten beweren dat hij jarenlang uit het vak is geweest, wat Proost ontkent door te wijzen op vergunningen tot 1939 en een onderbreking door ziekte.
* Retoriek en tijdgeest: De brief is geschreven tijdens de Duitse bezetting (juli 1942). Proost maakt gebruik van de politieke situatie door de lokale verdeelingscommissie te beschuldigen van communistische sympathieën en te wijzen op een "Jood als voorzitter". Dit is een bewuste poging om de commissie in diskrediet te brengen bij de bezetter of collaborateurs.
* Dreigement: De schrijver dreigt de zaak hogerop te spelen bij de Rijkscommissaris (Seyss-Inquart), NSB-leider Mussert of de nationaalsocialistische ideoloog Van Genegten. Hiermee hoopt hij druk uit te oefenen op de lokale ambtenarij.
* Taalgebruik: De brief bevat diverse typefouten (bijv. "voldaanwas", "zoekte", "bietgaarbem", "geboøren") en archaïsche spelling, wat wijst op een gepassioneerde, wellicht haastig getypte tekst van iemand die zich persoonlijk verongelijkt voelt. In 1942 was de voedselvoorziening in Nederland strikt gereguleerd door de bezetter. Handelaren hadden toewijzingen nodig om goederen te mogen verkopen. De "Nederlandsche Visscherijcentrale" (onderaan vermeld) speelde hierin een centrale rol. Dit document illustreert hoe individuele burgers probeerden te navigeren binnen het bureaucratische systeem van de bezetting, waarbij zij niet schroomden om antisemitische sentimenten of politieke verklikking te gebruiken om hun eigen economische positie veilig te stellen. De genoemde "Eendracht" was een bekende visventersvereniging in Amsterdam.