Brief (handgeschreven)
Origineel
Brief (handgeschreven) 1 februari 1939 (genoteerd als 1-2. 39.) J.F. Bakker, 2e Jan Steenstraat 81 II, Amsterdam. De Directeur (vermoedelijk van een marktwezen of gemeentelijke instantie). Ik zei hem dat ik in zou pakken, maar hem aanspra-
kelijk zou stellen, voor den te lijden schade.
Het is niet alleen den financieelen schade, maar
ook den aanranding van goeden naam, kan en wil
ik niet ongestraft laten voor bij gaan.
N.B. Terwijl ik aan het inpakken was kwam men mij
nog zeggen, dat de Marktmeester het volgende
beweerd had. Hoe kan die Man nu zeggen dat
dit de zelfde zijn, ik heb zelf een kistje van die
dingen zien vernietigen.
Mijn zegsmenschen zijn bereid dit als getuige te
bevestigen.
Mijn heer de Directeur, ik heb Uw Edl den ge-
beurtenissen, zoo beknopt mogelijk medegedeeld, en
ik hoop eerbiedig dat U mij recht zal doen
wedervaren.
Verblijf met de meeste hoogachting,
Uw dw [Dienstwillige] J.F. Bakker
2e Jan Steenstr: 81 II
A. dam 1-2. 39. De brief is een formeel klaagschrift van J.F. Bakker, gericht aan een directeur. De toon is verontwaardigd doch beleefd. De kern van het geschil lijkt te liggen in een bevel om goederen in te pakken (mogelijk op een markt), wat volgens de schrijver niet alleen tot direct financieel verlies leidt, maar ook zijn goede naam aantast.
Een specifiek punt van conflict is de bewering van een "Marktmeester". Bakker betwist een uitspraak van deze functionaris over de identiteit van bepaalde goederen, waarbij hij stelt zelf gezien te hebben dat een kist van die bewuste artikelen vernietigd is. Bakker beroept zich op getuigen ("zegsmenschen") om zijn gelijk aan te tonen en verzoekt de directeur om gerechtigheid in deze zaak. Het document is gedateerd op 1 februari 1939 te Amsterdam. Het adres van de afzender, de Tweede Jan Steenstraat 81, bevindt zich in de wijk De Pijp, vlakbij de Albert Cuypmarkt. Dit, in combinatie met de vermelding van een "Marktmeester", maakt het zeer aannemelijk dat het geschil betrekking heeft op een standplaats of incident op deze markt.
De jaren dertig waren een periode van economische malaise en strikte regulering van markten door de overheid. Een conflict met het markttoezicht kon direct de broodwinning van een koopman in gevaar brengen, wat de formele en dringende toon van de brief verklaart. Het gebruik van termen als "aanranding van goeden naam" en "recht doen wedervaren" past in de toenmalige formele correspondentiestijl.