Brief / Verzoekschrift
Origineel
Brief / Verzoekschrift 18 februari 1943 A. Vrijhoeven (Groothandel in brandhout en loonzagerij) Wethouder voor Het Marktwezen te Amsterdam [Rechtsboven in potlood:] 609
A. VRIJHOEVEN
GROOTHANDEL IN BRANDHOUT EN LOONZAGERIJ
TELEFOON 48151
POST-GIRO 394740
GEM.-GIRO V 5963
Rijksbureau voor hout:
Vergunning No. 3959.
K 322
AMSTERDAM-C., 18 Februari 194 3.
Rapenburg 57 en 60
[In de marge rechtsboven, handgeschreven:]
Oproepen 3-3-43
m. th. Muller [onleesbaar] 10 2/3
Aan den Wethouder voor Het Marktwezen.
te Amsterdam.
[Stempel:] No. 21/6/1 M. 1943 20/2
Hooggeachte Heer,
Ondergeteekende drijft een loonzagerij, gevestigd aan het Rapenburg 60 te Amsterdam-C.
Op grond van een oude wet is blijkbaar de geheele Rapenburgerwal tot marktterrein verklaard, wat tot gevolg heeft, dat ik voor elke ton hout, die op mijn terrein gelost wordt, f. 0.025 marktgeld verschuldigd ben. Nu meen ik, dat deze bepaling slechts geldt voor brandstoffen, en daar ik sinds eenigen tijd mijn brandstoffenhandel eraan gegeven heb en nu nog slechts hout in loondienst zaag, lijkt deze heffing mij onbillijk. Bovendien is deze heffing niet in mijn prijzen gecalculeerd, en kan ik deze ook niet eigenmachtig verhoogen.
[In de marge links, handgeschreven potlood:] inderdaad
Gaarne zou ik zien, dat U deze kwestie wilde onderzoeken en mij zoo mogelijk van bovengenoemde heffing vrijstellen.
Hoogachtend,
[Handtekening:] Adr. Vrijhoeven
[Handgeschreven aantekeningen onderaan de brief:]
Rapport inzien van Controleur Reyenga
m. i. afwijzen. Bij mij ontbode e kon niet ontkennen, dat hout door hem aangevoerd, als brandstof werd verkocht. 15-3-43.
[Handtekening, mogelijk Muller]
[Onderaan rode paraaf ‘M’ en het getal 21] In deze brief verzoekt Adriaan Vrijhoeven om een vrijstelling van het 'marktgeld' voor het hout dat bij zijn bedrijf aan de Rapenburgerwal wordt gelost. Hij voert aan dat de wet die deze heffing voorschrijft bedoeld is voor brandstoffen, terwijl hij naar eigen zeggen gestopt is met de handel daarin en nu alleen nog hout zaagt in loondienst voor derden. Tevens klaagt hij dat hij de kosten niet kan doorberekenen vanwege vastgestelde prijzen.
Uit de handgeschreven kanttekeningen van ambtenaren blijkt echter dat zijn verzoek niet werd gehonoreerd. Een controleur merkt op dat Vrijhoeven bij een gesprek heeft toegegeven dat het aangevoerde hout wel degelijk nog als brandstof werd verkocht. Op basis hiervan is het advies "m.i. afwijzen" (mijns inziens afwijzen). Dit document stamt uit februari 1943, midden in de Tweede Wereldoorlog. In deze periode was er sprake van een enorme schaarste aan brandstoffen, waardoor hout een vitale grondstof was. De vermelding van het "Rijksbureau voor hout" in de briefkop duidt op de strakke centrale distributie en regulering door de bezetter.
De Rapenburgerwal in Amsterdam was van oudsher een plek waar veel handel en overslag plaatsvond. Dat Vrijhoeven aangeeft de prijzen niet "eigenmachtig" te kunnen verhogen, verwijst naar de destijds geldende prijsbeheersing en distributieregels. De correspondentie toont de bureaucratische omgang met lokale belastingen en de controle daarop door de gemeente in oorlogstijd. A. Vrijhoeven C. Marktwezen Rijksbureau