Administratieve correspondentie (verzoekschrift en ambtelijke tussennotitie).
Origineel
Administratieve correspondentie (verzoekschrift en ambtelijke tussennotitie). 24 september 1943 (hoofddocument) en 4 oktober 1943 (notitie). [Bovendeel: Hoofddocument]
185
Onderwerp
Verzoek (vaste plaats op de markt Alb: Cuijpstr:)
A’dam 24 Sept 1943
No. 25/37/1 M. 1943 ^28/9
Aan
den Weled: Heer.
Directeur Marktwezen
Alhier
Ondergetekende, [onleesbaar]
Hendrik v/d Heide
[Onderdeel: Opgeplakte notitie]
Alb: Cuijpstraat 4 Oct: 1943
Den Heer
Inspecteur
Hierbij zou ik U in overweging willen geven,
het verzoek om een vaste plaats op de markt
Alb: Cuijpstraat, toe te staan, aangezien Dhr: H.
v/d Heide bijna dagelijks de markt bezoekt.
Verkoops art: 2 hands, geen textiel.
J. Renz [handtekening]
[Administratieve aantekeningen onderaan in potlood/inkt]
Register?
opv. v. pl. [oppervlakte van plaats]
Vaste plaats uitgereikt per 11/11 '43.
Onderz. [?] HS.
Opgeg [opgegeven] per 11/11 '43.
HS. Dit document illustreert de bureaucratische gang van zaken rondom de marktvergunningen in Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het bestaat uit een formeel registratieblad waarop een ambtelijke aanbeveling is geplakt.
De aanvrager, Hendrik van der Heide, ambieert een "vaste plaats". Uit de notitie van 4 oktober blijkt dat hij op dat moment waarschijnlijk als 'loper' (een marktkoopman zonder vaste stek die dagelijks moet afwachten of er plek is) actief is, aangezien er wordt vermeld dat hij de markt "bijna dagelijks bezoekt".
Interessant is de specificatie van de handelswaar: "2 hands, geen textiel". In 1943 was textiel een uiterst schaars goed dat op de bon was. De handel hierin was streng gereguleerd om zwarte handel te voorkomen. De handel in tweedehands goederen (curiosa, huisraad, etc.) bloeide juist op door de algehele schaarste aan nieuwe producten.
Uit de krabbels onderaan blijkt dat de aanvraag succesvol was: per 11 november 1943 kreeg Van der Heide zijn vaste plaats toegewezen. De Albert Cuypmarkt was tijdens de bezettingsjaren een cruciaal punt voor de Amsterdamse voedselvoorziening en ruilhandel. De datum van het document (september/oktober 1943) plaatst de aanvraag in een periode waarin de druk op de markten groot was. Veel Joodse marktkooplieden waren in de jaren daarvoor reeds van de markten verdreven, wat leidde tot verschuivingen in het contingent kooplieden en de beschikbare plaatsen.
De betrokken instantie, het "Marktwezen", viel onder de gemeente Amsterdam maar opereerde onder toezicht van de Duitse bezetter. Administratieve zorgvuldigheid, zoals blijkt uit de stempels en de diverse initialen, bleef gedurende de hele oorlog een kenmerk van de Nederlandse bureauferie, ook bij de toewijzing van schaarse publieke ruimte zoals een marktkraamplaats.