Archiefdocument
Origineel
Mei 1943 (gebaseerd op het paarse archiefstempel "M. 1943" en de numerieke code 25/5). F. Brandt, wonende aan de v. Tienhovenstraat 75, Amsterdam-West. Den Heer Directeur van het Marktwezen, Amsterdam ("Alhier"). F. BRANDT
v. Tienhovenstr. 75
A'dam W.
[Rechtsboven in rood potlood:] 389 [en een paraaf]
[Paars stempel:] No. 25/5g/1 M. 1943
Aan
den Heer Directeur
van het Marktwezen
Alhier.
WelEd. Heer,
Ondergeteekende houder van een vaste
plaats op de markt Alb. Cuypstr. neemt
de vrijheid het volgende onder Uw aandacht
te brengen.
Sinds eenigen tijd is deze markt twee
kooplieden in mijn artikel rijker geworden
waarvan één standplaats had genomen
recht tegenover van der Gragt, eveneens
een boekenkoopman. Tengevolge van klachten
van diens zijde is bedoelde koopman tenslotte
beland, recht tegenover mij en heeft
nu standplaats gekozen voor den ingang
van het Postkantoor.
Ik heb jaren hard moeten werken om
mijn klandizie op deze markt te moeten
krijgen en ben begonnen op de zoogenaamde
derde markt. Deze nieuwe koopman
profiteert nu van mijn werk en
van mijn reclame, zie bijgaand 25 De brief is een formeel verzoekschrift van een marktkoopman die protesteert tegen wat hij ziet als onrechtvaardige concurrentie. De schrijver, F. Brandt, is een boekhandelaar op de Albert Cuypmarkt.
De kern van het geschil is de locatie van een nieuwe concurrent. Deze concurrent stond aanvankelijk tegenover een andere boekhandelaar (de heer Van der Gragt), maar is na diens klachten verplaatst. Brandt beklaagt zich er nu over dat deze handelaar precies tegenover hem is geplaatst, pal voor de ingang van het postkantoor. Dit is een strategisch gunstige plek met veel doorloop. Brandt voert aan dat hij zijn positie en klantenkring ("klandizie") door jarenlang hard werken heeft opgebouwd, beginnend op de minder gunstige "derde markt" (een aanduiding voor een specifiek gedeelte of uitbreiding van de markt). Hij stelt dat de nieuwkomer nu simpelweg "meelift" op zijn inspanningen.
Opvallend is de onderstreping van de namen en de woorden "gekozen", wat de nadruk legt op de vermeende opzet van de concurrent. Het document dateert uit 1943, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. Hoewel de brief een alledaags economisch geschil lijkt te betreffen, vond dit plaats in een tijd van extreme schaarste en strenge regulering. De Albert Cuypmarkt was tijdens de oorlog een cruciale plek voor de voedsel- en goederenvoorziening in Amsterdam, maar de handel stond onder zware druk door distributiemaatregelen en het wegvallen van Joodse kooplieden die van de markt waren verdreven.
Het "Marktwezen" was de gemeentelijke instantie die de standplaatsen toewees en toezag op de orde. Het postkantoor waarnaar verwezen wordt, bevond zich destijds aan de Albert Cuypstraat 155-157. De klacht van Brandt illustreert de felle overlevingsstrijd tussen kleine zelfstandigen in oorlogstijd, waarbij de exacte locatie van een stal het verschil kon maken tussen een inkomen of armoede. De "25" aan het eind van de brief verwijst waarschijnlijk naar een bijgevoegd bewijsstuk of een pagina-aanduiding in het dossier.