Archief 745
Inventaris 745-402
Pagina 419
Dossier 24
Jaar 1943
Stadsarchief

Getypte brief (doorslag), bladzijde 2.

3 januari 1944.

Origineel

Getypte brief (doorslag), bladzijde 2. 3 januari 1944. Bladzijde 2 van brief No.25/68/2 M. d.d. 3 Januari 1944 aan den Heer
Wethouder voor de Levensmiddelen van den Heer Gemeente-Adviseur en den
Directeur van het Marktwezen.


ieder geval is het volgens de kooplieden beslist geen gewoonte geworden.
Alle gehoorde kooplieden noemen het beslist een leugen, dat "zoovele
kooplieden en vriendjes in den loods waren", dat daardoor de verkoop aan
den rij geheel stilstond!

Wij hebben hierna ook den op de Albert Cuypstraat op 4 December
jl. bij den vischverkoop dienstdoenden marktambtenaar gehoord, die de
verklaringen der kooplieden geheel bevestigde. Ook hij verklaarde, dat er
wel kooplieden zijn, die probeeren buiten den rij om in den loods te komen,
doch dit lukt practisch nooit, omdat daar speciaal op wordt gelet. In den
loods wordt tijdens den verkoop niet anders toegelaten, dan de vischver-
kooper, die aan de beurt is en één persoon voor het ontvangen van geld.
De marktambtenaar en ook de kooplieden wezen er nog op, dat ook het in
de loods toegelaten publiek probeert van de eene kar, wanneer ze daar
hebben gekocht, naar den anderen te glippen, doch ook hierop wordt steeds
streng gelet. Ook de kooplieden letten hierop omdat zij er nooit zeker
van zijn, dat zij niet speciaal worden gecontroleerd, door het zoogenaamde
turven en zij, wanneer een persoon extra wordt geholpen, een verschil
krijgen met den ambtenaar.

Overigens heeft het onderzoek geen resultaten opgeleverd; waar
het ook hier weer om een anonyme klacht gaat, is het niet mogelijk klaag-
ster te hooren en de verklaringen tegenover elkaar te stellen.

Wij geven U daarom in overweging deze zaak verder als afgedaan
te beschouwen.

De Gemeentelijke Adviseur voor De Directeur,
Distributie- en Voedingsaangelegen-
heden, Dit document is het tweede blad van een rapportage over een onderzoek naar vermeende onregelmatigheden bij de visverkoop op de Albert Cuypmarkt in Amsterdam. De kern van de klacht was dat er sprake zou zijn van vriendjespolitiek: "vriendjes" van kooplieden zouden in de loods worden toegelaten, waardoor de reguliere verkoop aan de wachtende mensen in de rij zou stagneren.

De onderzoekers concluderen dat de klacht ongegrond is. Zij baseren zich op:
1. Getuigenissen van de kooplieden zelf, die de beschuldigingen afdoen als leugens.
2. De verklaring van de marktambtenaar, die stelt dat er streng toezicht is en dat er slechts één verkoper en één geldontvanger tegelijk in de loods mogen zijn.
3. Het systeem van "turven", waarbij de administratie van de ambtenaar moet overeenstemmen met de verkoop van de kooplieden, wat fraude zou bemoeilijken.

De brief adviseert de wethouder om de zaak te seponeren, mede omdat de klacht anoniem was ingediend, waardoor wederhoor niet mogelijk is. De datum van de brief, 3 januari 1944, plaatst dit document midden in de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. In deze periode was er sprake van grote schaarste en een streng distributiesysteem voor levensmiddelen. Vis was een belangrijk onderdeel van het schaarse dieet, maar de aanvoer was onregelmatig en de distributie streng gereguleerd.

Vanwege de schaarste was de sociale spanning op markten zoals de Albert Cuypstraat hoog. Beschuldigingen van vriendjespolitiek, corruptie of zwarte handel kwamen veelvuldig voor. De "Gemeentelijke Adviseur voor Distributie- en Voedingsaangelegenheden" was een instantie die moest toezien op een eerlijke verdeling van het schaarse voedsel onder de Amsterdamse bevolking. Dat de autoriteiten de moeite namen om een (anonieme) klacht zo uitgebreid te onderzoeken, getuigt van de gevoeligheid van het onderwerp voedselvoorziening in oorlogstijd. De spelling (zoals "vischverkoop" en "den rij") is kenmerkend voor het Nederlands van voor de spellingshervorming van 1947 (de spelling-Marchant).

Samenvatting

Dit document is het tweede blad van een rapportage over een onderzoek naar vermeende onregelmatigheden bij de visverkoop op de Albert Cuypmarkt in Amsterdam. De kern van de klacht was dat er sprake zou zijn van vriendjespolitiek: "vriendjes" van kooplieden zouden in de loods worden toegelaten, waardoor de reguliere verkoop aan de wachtende mensen in de rij zou stagneren.

De onderzoekers concluderen dat de klacht ongegrond is. Zij baseren zich op:
1. Getuigenissen van de kooplieden zelf, die de beschuldigingen afdoen als leugens.
2. De verklaring van de marktambtenaar, die stelt dat er streng toezicht is en dat er slechts één verkoper en één geldontvanger tegelijk in de loods mogen zijn.
3. Het systeem van "turven", waarbij de administratie van de ambtenaar moet overeenstemmen met de verkoop van de kooplieden, wat fraude zou bemoeilijken.

De brief adviseert de wethouder om de zaak te seponeren, mede omdat de klacht anoniem was ingediend, waardoor wederhoor niet mogelijk is.

Historische Context

De datum van de brief, 3 januari 1944, plaatst dit document midden in de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. In deze periode was er sprake van grote schaarste en een streng distributiesysteem voor levensmiddelen. Vis was een belangrijk onderdeel van het schaarse dieet, maar de aanvoer was onregelmatig en de distributie streng gereguleerd.

Vanwege de schaarste was de sociale spanning op markten zoals de Albert Cuypstraat hoog. Beschuldigingen van vriendjespolitiek, corruptie of zwarte handel kwamen veelvuldig voor. De "Gemeentelijke Adviseur voor Distributie- en Voedingsaangelegenheden" was een instantie die moest toezien op een eerlijke verdeling van het schaarse voedsel onder de Amsterdamse bevolking. Dat de autoriteiten de moeite namen om een (anonieme) klacht zo uitgebreid te onderzoeken, getuigt van de gevoeligheid van het onderwerp voedselvoorziening in oorlogstijd. De spelling (zoals "vischverkoop" en "den rij") is kenmerkend voor het Nederlands van voor de spellingshervorming van 1947 (de spelling-Marchant).