Archief 745
Inventaris 745-279
Pagina 366
Dossier 83
Jaar 1939
Stadsarchief

Officiële brief.

5 januari 1940. Van: De Directeur (vermoedelijk van een gemeentelijke dienst). Aan: Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Alhier.

Origineel

Officiële brief. 5 januari 1940. De Directeur (vermoedelijk van een gemeentelijke dienst). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Alhier. [Handgeschreven rechtsboven:] ten. fu. de Raes.

VP/HG.

26/79/a M.1939,
1

[Handgeschreven in rode inkt:] Verzonden 5/1-40

5 Januari 1940.

Verzoek van H.Osinga
om te worden gehoord.

den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .

Onder terugzending van het met Uw kantbrief d.d. 14
December jl. om advies ontvangen stuk no.2/11 L.M.1939 heb ik
de eer U te berichten, dat het adressants bedoeling blijkt te
zijn om een door hem ingediend verzoek tot toekenning van een
standplaats nader mondeling te mogen toelichten. De bedoelde
aanvrage om een standplaatsvergunning is thans om advies bij
den Hoofdcommissaris van Politie; wanneer de betreffende aan-
vrage aan mijn dienst zal worden doorgezonden, zal met adres-
sants toelichting rekening worden gehouden.
Ik geef U beleefd in overweging het onderhavige stuk
als afgedaan te beschouwen.

De Directeur, Deze brief is een formeel ambtelijk schrijven binnen een gemeentebestuur. De Directeur van een niet nader genoemde dienst (mogelijk Marktwezen of een algemene administratieve dienst) rapporteert aan de Wethouder voor de Levensmiddelen over een verzoek van een burger, H. Osinga.

De kern van de zaak is dat Osinga een standplaatsvergunning heeft aangevraagd en deze aanvraag mondeling wil toelichten. De Directeur stelt vast dat de aanvraag op dit moment voor advies bij de politie ligt. Hij belooft dat de wens van Osinga voor een mondelinge toelichting zal worden gehonoreerd zodra het dossier terugkeert bij zijn eigen dienst. De brief dient om de Wethouder te informeren dat de huidige correspondentie over dit specifieke verzoek om gehoord te worden als afgehandeld kan worden beschouwd. De brief dateert van januari 1940, een periode van spanning in Nederland vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in mei van dat jaar. Desondanks toont het document een bureaucratie die nog volledig volgens de normale procedures functioneert.

De rol van de 'Wethouder voor de Levensmiddelen' was in die tijd van groot belang vanwege de beginnende schaarste en de voorbereidingen op distributie. Het feit dat hij zich ook bezighield met individuele standplaatsvergunningen wijst op een nauwe betrokkenheid bij de lokale handel en marktvoorziening. Termen als 'kantbrief' (een briefje met een korte instructie of vraag in de marge van een document) en 'adressant' (de indiener van het verzoek) zijn typerend voor het ambtelijk taalgebruik van die tijd.

Samenvatting

Deze brief is een formeel ambtelijk schrijven binnen een gemeentebestuur. De Directeur van een niet nader genoemde dienst (mogelijk Marktwezen of een algemene administratieve dienst) rapporteert aan de Wethouder voor de Levensmiddelen over een verzoek van een burger, H. Osinga.

De kern van de zaak is dat Osinga een standplaatsvergunning heeft aangevraagd en deze aanvraag mondeling wil toelichten. De Directeur stelt vast dat de aanvraag op dit moment voor advies bij de politie ligt. Hij belooft dat de wens van Osinga voor een mondelinge toelichting zal worden gehonoreerd zodra het dossier terugkeert bij zijn eigen dienst. De brief dient om de Wethouder te informeren dat de huidige correspondentie over dit specifieke verzoek om gehoord te worden als afgehandeld kan worden beschouwd.

Historische Context

De brief dateert van januari 1940, een periode van spanning in Nederland vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in mei van dat jaar. Desondanks toont het document een bureaucratie die nog volledig volgens de normale procedures functioneert.

De rol van de 'Wethouder voor de Levensmiddelen' was in die tijd van groot belang vanwege de beginnende schaarste en de voorbereidingen op distributie. Het feit dat hij zich ook bezighield met individuele standplaatsvergunningen wijst op een nauwe betrokkenheid bij de lokale handel en marktvoorziening. Termen als 'kantbrief' (een briefje met een korte instructie of vraag in de marge van een document) en 'adressant' (de indiener van het verzoek) zijn typerend voor het ambtelijk taalgebruik van die tijd.