Brief / Verzoekschrift aan het gemeentebestuur van Amsterdam.
Origineel
Brief / Verzoekschrift aan het gemeentebestuur van Amsterdam. 29 september 1943. K. Broersma, woonachtig aan de 3e Oosterparkstraat 84-I, Amsterdam-Oost. [Linksboven, paarse stempel:]
No. 29/63/1 M. 1943 ^1/_10
[Rechtsboven:]
(255
29 Sept
Amsterdam 1943
[onleesbare paraaf/aantekening]
[Hoofdtekst:]
M. H. [Mijne Heren]
Hier mede verzoekt
ondergetekenden beleefd
voor een standplaats gelegen
op de Nieuw-Markt voor
het verkoopen van
2^de Hands goederen zoo
als meubelen potten en
pannen geen textiel-
goederen.
Bij voorbaat mijn
dank.
Hoogachtend
K Broersma
3^de Oosterparkstr 84
I
Amsterdam Oost
202. 29 Het betreft een formeel, handgeschreven verzoekschrift gericht aan de gemeentelijke instanties (waarschijnlijk de Marktwezen-afdeling). De schrijver, K. Broersma, verzoekt om een vaste plek op de Nieuwmarkt om daar tweedehands huishoudelijke artikelen te verkopen, zoals meubels en keukengerei.
Opvallend is de expliciete toevoeging "geen textielgoederen". In 1943, tijdens de bezetting, was textiel een schaars goed dat streng gerantsoeneerd was via het distributiesysteem (textielpunten). De handel hierin was aan zeer strikte regels gebonden. Door dit te vermelden, verduidelijkt de aanvrager dat zijn handel buiten deze complexe regelgeving valt, wat de kans op toewijzing van de vergunning mogelijk zou vergroten.
De schrijfstijl is beleefd en zakelijk, passend bij de toenmalige normen voor correspondentie met de overheid. De administratieve kenmerken (stempels en nummers) tonen aan dat het verzoek officieel is ingeboekt in de gemeentelijke administratie. Dit document stamt uit september 1943, een periode waarin Nederland gebukt ging onder de Duitse bezetting van de Tweede Wereldoorlog. De schaarste aan nieuwe producten zorgde voor een enorme vlucht in de handel van tweedehands goederen. De Nieuwmarkt, gelegen in het hart van Amsterdam, was historisch gezien een belangrijke plek voor handel, maar de omgeving was in 1943 drastisch veranderd door de deportaties vanuit de aangrenzende Jodenbuurt.
De aanvraag voor een standplaats was in die tijd niet alleen een commerciële wens, maar vaak een bittere noodzaak om in het levensonderhoud te voorzien. De vermelding van het adres (3e Oosterparkstraat 84-I) plaatst de afzender in een typische volksbuurt in Amsterdam-Oost. De administratieve afhandeling suggereert dat, ondanks de oorlogsomstandigheden, het bureaucratische apparaat van de gemeente Amsterdam bleef functioneren volgens de geldende verordeningen.