Handgeschreven brief/verzoekschrift met ambtelijke kanttekeningen.
Origineel
Handgeschreven brief/verzoekschrift met ambtelijke kanttekeningen. Mei 1943 (tijdens de Duitse bezetting). (Linkerzijde - Ambtelijke aantekeningen)
J. van Leeuwen - ten Hoeve
no 157 Alb. Cuypstraat
mosselen.
Inspecteur,
per 22/5 '43 wordt de plaats
ingetrokken, [?] h. van [?]
blijft een [?] mee wonen. 19 5/43 [Handtekening]
Verzoek om visch
afwijzen.
20-5-43
[Handtekening]
(Rechterzijde - Brieftekst)
hoe klein ook van gerookte sprot of
een paar laatjes garnalen of anderszin
dan kon ik ten minste voor mijn jon,,
gens er nog wat bij verdienen.
Ik heb altijd samen met mijn
broer . B. ten Hoeve samen vis
verkocht en gekocht maar om dat
mijn broer alles op zijn naam te nam
zoodoende heeft hij een toewijzing
gehad en ik niet . Nu heb ik een
mossel toewijzing en daar heb ik
van 't Winter wel wat mee verdiend
want ik bracht zelf mijn mosselen
naar den markt dus alle verdienste
was voor mij maar nu zijn die tot Het document is een schrijnend voorbeeld van een rekwest (verzoekschrift) van een kleine zelfstandige tijdens de Tweede Wereldoorlog. De schrijfster, J. van Leeuwen-ten Hoeve, probeert een eigen bestaansrecht op te bouwen in de vishandel op de Albert Cuypmarkt.
Kernpunten uit de tekst:
* Samenwerking: Zij werkte voorheen samen met haar broer, B. ten Hoeve. Omdat de zaken officieel op zijn naam stonden, kreeg hij bij de invoering van het distributie- en vergunningstelsel wel een "toewijzing" en zij niet.
* Seizoenswerk: In de winter heeft zij blijkbaar wel een tijdelijke vergunning voor mosselen gehad, wat haar een inkomen bezorgde. Nu het mosselseizoen ten einde loopt, vraagt zij om een toewijzing voor andere viswaren (gerookte sprot of garnalen) om voor haar "jongens" (kinderen) te kunnen blijven verdienen.
* Ambtelijk besluit: Ondanks haar persoonlijke toelichting is aan de linkerzijde in dikke letters te zien dat het verzoek op 20 mei 1943 is afgewezen. De bureaucratie tijdens de bezetting was streng; het aantal marktplaatsen en handelaren werd strikt gereguleerd en vaak ingekrompen. Tijdens de Duitse bezetting (1940-1945) was de handel in levensmiddelen volledig gereguleerd door de overheid (via de Crisis Controle Dienst en distributiestamkaarten). Om op een markt te mogen staan, had men een officiële "toewijzing" nodig. Zonder deze papieren was handel illegaal (zwarte handel).
De Albert Cuypmarkt in Amsterdam bleef gedurende de oorlog een centrale plek voor voedselvoorziening, maar de omstandigheden waren zwaar. Voor weduwen of vrouwen die alleen voor hun kinderen moesten zorgen, was het bemachtigen van een eigen vergunning vaak een strijd tegen een onverbiddelijke bureaucratie die probeerde het aantal marktkooplui te beperken. De afwijzing op dit document betekende in de praktijk waarschijnlijk een acuut gebrek aan inkomsten voor dit gezin in de zomer van 1943.