Archiefdocument
Origineel
24 augustus 1943 No. 46b/217/10 M. 1943 ^(28/7)
GEMEENTE AMSTERDAM
AMSTERDAM, 24 Augustus 1943.
AFD. L.M.-1943-
No. 498.
BIJLAGEN
MEN WORDT VERZOCHT BIJ HET ANTWOORD NAUWKEURIG HET NUMMER VAN DIT SCHRIJVEN EN DE AFDEELING TE VERMELDEN.
Onderwerp: toewijzing in verband met krijgsgevangenschap en arbeidsinzet.
Naar aanleiding van Uw schrijven dd. 17 Augustus j.l., no. 46b/217/9 M. betreffende bovenstaand onderwerp, verzoek ik U aan de Ondervakgroep Detailhandel in Visch een schrijven te doen toekomen van onderstaanden inhoud.
De Wethouder voor de Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen,
[Handtekening]
[In de marge in rood potlood geschreven:] brief schrijven [gevolgd door paraaf en datum/kenmerk: 46b/217/12]*
In antwoord op Uw schrijven dd. 3 Juli j.l., no. I/D/818 heb ik de eer U het volgende mede te deelen.
Voor het overschrijven van de toewijzigingen van een vijftal Joodsche vischhandelszaken op den naam van den eigenaar van den vischhandel "Imex" draagt het Gemeentebestuur van Amsterdam geen enkele verantwoordelijkheid. Deze handeling is niet geschied dan na een desbetreffende, instandelijke opdracht van de "Wirtschaftsprüfstelle beim Generalkommissar für Finanz und Wirtschaft". Bij Uw beschouwingen over het overschrijven van toewijzigingen van vischhandelaren, wier bedrijf moest worden gesloten, doordat de betrokkenen in krijgsgevangenschap of elders tewerk werden gesteld, kunt U zich hierop niet beroepen.
Wat het overschrijven van toewijzigingen betreft, deel ik U mede, dat tot dusverre twee verzoeken het Gemeentebestuur hebben bereikt, te weten van Groen en Schindeler. Het geval Groen betreft een zaak, die 20 jaren door Groen Sr. werd gedreven en onlangs door zijn zoon werd overgenomen. Nu deze zoon in krijgsgevangenschap werd gesteld, bestond er bij het Gemeentebestuur geen enkele aanleiding, er niet in toe te stemmen, dat de toewijzing weder op naam van den vader werd overgeschreven.
In het geval Schindeler werd overwogen, dat Schindeler Sr. reeds een winkel heeft en dat deze nu ook nog de zaak van zijn zoon wenscht aan te houden, aangezien hij de inkomsten van dien zoon niet zou kunnen missen. Dit argument werd vrij twijfelachtig gevonden; bovendien bestaat niet de indruk, dat beide zaken zullen blijven voortbestaan en is er veel eer reden tot de onderstelling, dat het een poging is van Schindeler Sr. om op deze wijze te trachten een grootere toewijzing van visch te krijgen.
Het ligt in het voornemen van den betrokken Wethouder nieuwe aanvragen eveneens afzonderlijk te bezien, waarbij met alle omstandigheden
Aan
den heer Directeur
van den Dienst van het Marktwezen.
Model G.A. 6
25.000-1-'40 * Arisering van Joods bezit: Het document bevat een expliciete bevestiging van de onteigening van Joodse bedrijven. Er wordt gesproken over de overdracht van vijf "Joodsche vischhandelszaken" aan de firma "Imex". Het Gemeentebestuur distantieert zich formeel van deze handeling door te wijzen op de directe opdracht van de Duitse Wirtschaftsprüfstelle.
* Distributie en Schaarste: De "toewijzingen" waarover gesproken wordt, hebben betrekking op de levering van vis onder het distributiestelsel. In 1943 was voedsel schaars en een toewijzing was cruciaal voor het voortbestaan van een winkel.
* Impact van de Bezetting op Ondernemers: De tekst illustreert hoe de Arbeidseinsatz (tewerkstelling) en krijgsgevangenschap van winkelier-zonen leidde tot administratieve problemen. De gemeente beoordeelt hier of vaders de zaken (en de bijbehorende vis-quota) van hun weggevoerde zonen mogen overnemen.
* Bureaucratische houding: Er is sprake van een achterdochtige houding ten opzichte van ondernemers (zoals in het geval Schindeler), waarbij de gemeente waakt over mogelijke "onrechtmatige" vergroting van quota. Dit document stamt uit augustus 1943, een periode waarin de bezetting van Nederland door nazi-Duitsland een grimmige fase had bereikt. De deportaties van de Joodse bevolking waren in volle gang, en hun achtergebleven bezittingen en bedrijven werden door de bezetter "geariseerd" (overgedragen aan niet-Joodse eigenaren of beheerders).
Tegelijkertijd werden steeds meer Nederlandse mannen opgeroepen voor de Arbeidseinsatz in Duitsland of teruggevoerd in krijgsgevangenschap (met name voormalige militairen na de april-meistakingen van 1943). Dit zorgde voor grote hiaten in de bedrijfsvoering van middenstanders. De brief toont de ambtelijke verwerking van deze drama's: terwijl Joodse burgers hun bezit en leven verloren, probeerden andere burgers via bureaucratische weg de quota van hun weggevoerde familieleden veilig te stellen om te kunnen overleven in een steeds schaarser wordende oorlogseconomie.