Handgeschreven memo of ambtelijke notitie op papier met gekartelde rand.
Origineel
Handgeschreven memo of ambtelijke notitie op papier met gekartelde rand. 29 juni 1943. W. Vierra
had als Joodsche
kleinhandelaar
geen recht op
visch.
Zijn echtgenoote
heeft nimmer in
visch gedaan.
Nu Vierra inge-
sloten is, bestaat
er m. i. geen aan-
leiding om zijn
echtgenoote visch
toe te wijzen.
29-6-'43
de Boer * Inhoud: De notitie stelt vast dat de heer W. Vierra, vanwege zijn status als "Joodsche kleinhandelaar", onder het bezettingsregime geen recht had op de handel in of toewijzing van vis. De schrijver voegt hieraan toe dat zijn vrouw nooit eerder in de visbranche werkzaam is geweest.
* Status van Vierra: De tekst vermeldt dat Vierra "ingesloten" is. In de context van juni 1943 betekent dit vrijwel zeker dat hij was opgepakt, opgesloten in een strafgevangenis of reeds was weggevoerd naar een verzamelkamp (zoals Westerbork of Vught) voor deportatie.
* Besluitvorming: De ambtenaar 'de Boer' concludeert dat er "mijns inziens" (m. i.) geen reden is om de echtgenote van Vierra nu wel vis toe te wijzen. Dit illustreert de bureaucratische uitsluiting en de systematische ontneming van bestaansmiddelen voor Joodse burgers en hun familieleden. Dit document is een direct bewijs van de economische vervolging van Joden in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Vanaf 1941 werden Joodse ondernemers stelselmatig uit het economische leven geweerd door middel van onteigening (arisering) of simpelweg door het intrekken van vergunningen en rechten op goederen.
De datum, 29 juni 1943, is saillant: dit was een periode waarin de grootschalige deportaties vanuit Nederland in volle gang waren. De term "ingesloten" is een kil, ambtelijk eufemisme voor de gewelddadige realiteit van de Holocaust. De afwijzing door 'de Boer' laat zien hoe de lagere bureaucreatie nauwgezet de uitsluitingsregels volgde, zelfs wanneer een gezinshoofd al was weggevoerd en de achterblijvende echtgenote mogelijk zonder middelen van bestaan zat. W. Vierra