Ambtsbrief/Memorandum betreffende de visverdeling.
Origineel
Ambtsbrief/Memorandum betreffende de visverdeling. 3 november 1943. Onbekend (waarschijnlijk een ambtenaar bij de Dienst der Vischverdeeling of een aanverwante gemeentelijke dienst). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Alhier (Amsterdam). [Handgeschreven: Inp]
[Handgeschreven: Verzonden 3/11]
VD/SV
46b/258/4 M.
Vischverdeeling
toewijzing F.E.W.Jansen.
3 November 1943.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r.
Onder terugzending van het met Uw kantbrief d.d. 18 October jl. om advies ontvangen stuk no.772 L.M. 1943 heb ik de eer U ten aanzien van het zakelijke gedeelte van den onderhavigen brief het volgende te berichten.
Sedert geruimen tijd wordt zooals U bekend, wanneer een vischkoopman plotseling niet meer op de Vischmarkt verschijnt, doordat hij in hechtenis is genomen, dezerzijds de toewijzing niet aan derden verstrekt, doch wordt aan den waarnemend Politie-President ter zake om nadere inlichtingen gevraagd. Het rapport van de Politie wordt dan aan U overgelegd en aan de hand daarvan beslist U, hoe met de vischtoewijzing moet worden gehandeld.
Ik moge U herinneren aan Uw beslissingen ten aanzien van Pedro(d.d. 29 April 1943 no. 55/10 L.M.) De Vos (d.d. 5 October 1943 no. 758 L.M.) en K.C.Boerhoop (d.d. 26 Mei 1943 no. 55/10 L.M.).
Toen het geval van F.E.W.Jansen te mijner kennis kwam heb ik denzelfden gedragslijn doen volgen en op 7 October jl. zijn reeds schriftelijk inlichtingen aan den waarnemenden Politie-President gevraagd.
Inmiddels heb ik d.d. 28 October antwoord hierop ontvangen, dat ik U hierbij in afschrift overleg. Uw beslissing ter zake Jansen zie ik gaarne tegemoet.
Van het geval Gerrit Lammers is U volledig op de hoogte; het is echter voorgevallen, vóórdat bovenbedoelde gedragslijn werd vastgesteld.
Het Commissie-lid Kl.Lammers, broer van den betrokkene heeft deze aangelegenheid destijds persoonlijk met U behandeld. Ten aanzien van het geval De Kort kan ik het volgende rapporteeren:
Aan de Vischmarkt was niet bekend, dat De Kort in een concentratiekamp zou zitten. De voor hem bestende visch (in hoofdzaak gerookte) is door het personeel aan zijn vrouw afgegeven. Dit heeft kunnen plaatsvinden, doordat vanaf het begin der vischverdeeling de visch steeds door haar in ontvangst is genomen. Zij wordt beschouwd als degene, die recht heeft op den handel, aangezien zij steeds, ook voor den oorlog, de visch verkocht op de markt Albert Cuypstraat. In dit document rapporteert een ambtenaar aan de wethouder over de procedure die gevolgd wordt wanneer viskooplieden "plotseling niet meer verschijnen" omdat zij door de autoriteiten zijn opgepakt. De kern van de rapportage is de verantwoording van het beleid: toewijzingen (quota) worden niet direct aan anderen gegeven, maar er wordt eerst informatie ingewonnen bij de Politie-President.
Er worden specifieke casussen genoemd:
1. F.E.W. Jansen: Hierover is een politierapport ontvangen dat naar de wethouder wordt gestuurd voor een besluit.
2. Pedro, De Vos en K.C. Boerhoop: Eerdere gevallen die als precedent dienen.
3. Gerrit Lammers: Een ouder geval van voor de huidige procedure.
4. De Kort: Een opmerkelijke passage waarin wordt vermeld dat men op de markt niet wist dat hij in een "concentratiekamp" zat. Zijn vrouw nam de handel waar, wat werd gedoogd omdat zij dit werk feitelijk altijd al deed op de Albert Cuypmarkt.
De toon is strikt bureaucratisch, waarbij de tragische realiteit van de bezetting (arrestaties, concentratiekampen) wordt behandeld als een administratief probleem in de voedselvoorziening. Het document dateert uit november 1943, een periode waarin de Duitse bezetting van Nederland grimmiger werd. Voedseldistributie was een cruciaal instrument voor de bezetter om de bevolking onder controle te houden.
De tekst illustreert de dagelijkse realiteit van de Jodenvervolging en de onderdrukking van het verzet: kooplieden verdwenen plotseling van de markt. De vermelding van de Albert Cuypmarkt en het "concentratiekamp" in relatie tot de heer De Kort is veelzeggend; de Albert Cuypstraat lag in de buurt van de Joodse buurt (de Pijp), en veel marktkooplieden daar waren Joods.
De rol van de "waarnemend Politie-President" is hierin van belang; deze functie werd tijdens de bezetting vaak ingevuld door NSB'ers of pro-Duitse functionarissen die nauw samenwerkten met de Sicherheitspolizei. De gemeentelijke administratie moest in deze context navigeren tussen de praktische noodzaak van voedselverdeling en de harde realiteit van de politieke zuiveringen en deportaties.