Archiefdocument
Origineel
15 maart 1943 [Rechtsboven handgeschreven:] mips
[Rechtsboven getypt:] VD/RP.
46c/19/1c M.
1.
15 Maart 1943.
Vischregeling:
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
In bijlage dezes heb ik de eer U een afschrift te doen toekomen van een door den marktambtenaar Uitvlugt opgemaakt rapport, waaruit blijkt dat de handelaar H.Bootsma, Kloosterdijk 9 te Monnikendam en P.H.Zwarts, geb. 16-5-'89, Pretoriusstraat 33 II te Amsterdam op 6 Maart jl. schol, welke zij niet uit de verdeeling hadden ontvangen, op een niet door den Burgemeester aangewezen verkoopplaats tegen te hoogen prijs verkochten.
Bootsma is als groothandelaar te Monnikendam gevestigd. De Nederlandsche Visscherij Centrale zal dezerzijds van zijn handelingen op de hoogte worden gesteld. Zwarts is op 5 Februari 1943 door den Burgemeester voor zes maanden van de verdeeling uitgesloten wegens betrekken van visch buiten den afslag om.
Ik stel U thans voor te bevorderen, dat hij voor onbepaalden tijd van de verdeeling te dezer stede wordt uitgesloten.
De Boer is als vischhandelaar geheel onbekend.
Omtrent deze aangelegenheid werd den Heer Sieburgh eenige dagen geleden des avonds opgebeld door den Heer Balk, Vendelcommandant der W.A. die mededeelde, dat hij van De Boer had vernomen, dat de marktambtenaar zich tegenover hem (De Boer) had uitgelaten over, " die stinkende N.S.B.'ers moet je toch niet helpen", daarbij doelende op Bootsma en Zwarts. Den Heer Balk eischte het onmiddellijk ontslag van Uitvlugt en zoo deze de uitlating mocht ontkennen, dan zou de W.A. dit wel uit hem krijgen.
De opzichter Uitvlugt heb ik op 8 dezer gehoord; hij verklaarde, dat hij Bootsma en Zwarts kent als plaatshouders op de markt Dapperstraat.
De Boer was hem geheel onbekend. Van den aanvang af was Uitvlugt ervan overtuigd, dat de visch van Bootsma en Zwarts was en dat De Boer de lading moest dekken. Hij heeft dan ook De Boer erop gewezen, dat hij zich aan groot gevaar en een hooge boete voor de prijsopdrijving bloot stelde. Des middags is De Boer hem op het Dapperplein komen opzoeken, waarbij hij mededeelde, dat hij nog had vernomen, dat Bootsma en Zwaerts N.S.B'ers waren en dat hij daarom heelemaal niet meer met de zaak te maken wilden hebben. Uitvlugt deelde mede, De Boer direct hierop te hebben gezegd, dat hij op de markt niet over politiek Dit document doet verslag van een economisch delict dat verstrengeld raakt met de politieke realiteit van bezet Nederland. Twee handelaren (Bootsma en Zwarts) worden betrapt op de illegale verkoop van schol op de Dappermarkt in Amsterdam, buiten de officiële distributie ("afslag") om en tegen te hoge prijzen. Zij gebruikten ene 'De Boer' waarschijnlijk als stroman.
De kern van de brief verschuift echter naar een incident tussen marktambtenaar Uitvlugt en de W.A. (de weerbaarheidsafdeling van de NSB). De W.A.-commandant Balk beschuldigt Uitvlugt van beledigende uitspraken over de NSB en dreigt met fysiek geweld ("zou de W.A. dit wel uit hem krijgen") en ontslag. Uitvlugt ontkent de politieke lading en stelt dat hij de handelaren louter op hun economische overtreding aansprak. Tijdens de Duitse bezetting was de voedselvoorziening strikt gereguleerd. De "Vischregeling" moest zorgen voor een eerlijke verdeling, maar leidde ook tot een zwarte markt.
Het document is een typerend voorbeeld van de "Nieuwe Orde" waarin de NSB en haar organen (zoals de W.A.) probeerden controle uit te oefenen op het ambtenarenapparaat. Zodra een NSB'er betrokken was bij een misdrijf of conflict, werd dit direct gepolitiseerd. De dreiging van de W.A. om iemand "de waarheid wel te doen zeggen" wijst op de straffeloosheid waarmee deze organisatie optrad tegenover gewone burgers en ambtenaren die hun werk probeerden te doen. De brief eindigt abrupt onderaan de pagina, precies op het moment dat Uitvlugt zijn verdediging formuleert over het vermijden van politieke gesprekken op de markt.