Archief 745
Inventaris 745-434
Pagina 38
Dossier 1
Jaar 1944
Stadsarchief

Zakelijke brief / reclamatie.

4 augustus 1916. Van: Onbekend (vermoedelijk een eierhandelaar uit Culemborg).

Origineel

Zakelijke brief / reclamatie. 4 augustus 1916. Onbekend (vermoedelijk een eierhandelaar uit Culemborg). [1] Culemborg 4 Augustus 1916
[2] Den Heer Directeur
[3] v/h Marktwezen
[4] Amsterdam.
[5] Weled. Heer!
[6] dd 12 Juli verzonden wij in opdracht
[7] van het Eierbureau te Amersfoort
[8] aan de Gemeente Amsterdam 72000
[9] Kipeijeren. dd 20 juli jl. ontvingen
[10] wij van die leverantie een door
[11] tusschenkomst van de T.P.N. afrekening,
[12] waarop 't volgende wordt gekort:
[13] Kneuseieren 906
[14] Stukken 1188
[15] Uitgeschoten 900
[16] Tekort 528
[17] Totaal aftrek 3522 Eien [Eieren]
[18] Voor rekening der Gemeente 2% 1440 "
[19] Dus gekort 2082
[20] 't Eerste m.i. [mijns inziens] als 't ander kan
[21] waar zijn.
[22] 1e Wat de Stukken betreft, als u zou hebben
[23] 1188 stukken, dus uitloopers, zoudt u
[24] wel zien na die sien [zien], en zoudt u te
[25] zien krijgen plassen onder de kisten. Doch
[26] al was 't zulks waar, dan zijn die eien
[27] nog niet waardeloos en in elk geval
[28] [rechtsonder] brengen De brief is een zakelijk protest betreffende een financiële afrekening van een grote partij eieren (72.000 stuks). De afzender is een handelaar uit Culemborg die in opdracht van het Centraal Eierbureau in Amersfoort heeft geleverd aan de gemeente Amsterdam.

De kern van het geschil is de "afkorting" (inhouding) op de uitbetaling vanwege schade en tekorten. Er zijn in totaal 3522 eieren in mindering gebracht onder de categorieën kneuseieren, breuk ("stukken"), uitgeschoten (afgekeurde) eieren en een feitelijk tekort. Na aftrek van een standaardmarge van 2% (1440 eieren) die voor rekening van de gemeente komt, blijft er een netto korting over van 2082 eieren.

De schrijver zet met name vraagtekens bij de 1188 "stukken". Hij voert een logisch argument aan: indien er zoveel eieren kapot waren dat ze leegliepen ("uitloopers"), dan hadden er zichtbare plassen onder de kisten moeten liggen. Bovendien stelt hij dat zelfs kapotte eieren nog een restwaarde vertegenwoordigen en niet als volledig waardeloos beschouwd mogen worden. De toon is zakelijk maar kritisch ten aanzien van de keuring door de ontvangende partij in Amsterdam. Dit document stamt uit augustus 1916, midden in de Eerste Wereldoorlog. Hoewel Nederland neutraal was, had de oorlog een enorme impact op de voedselvoorziening en handel. De overheid stelde centrale organen in, zoals het genoemde "Eierbureau" in Amersfoort, om de distributie en prijzen van schaarse goederen te reguleren en de export te controleren.

De gemeente Amsterdam trad in deze periode vaak op als grootschalig inkoper van levensmiddelen om de stedelijke bevolking van voedsel te voorzien tegen gereguleerde prijzen. Het document geeft een inkijkje in de logistieke uitdagingen van die tijd: het transport van tienduizenden kwetsbare producten per spoor of boot, de bureaucratische afhandeling via diverse instanties (zoals de T.P.N., vermoedelijk een transport- of keuringsinstantie), en de onvermijdelijke discussies over kwaliteitscontrole en schadeclaims bij aankomst.

Samenvatting

De brief is een zakelijk protest betreffende een financiële afrekening van een grote partij eieren (72.000 stuks). De afzender is een handelaar uit Culemborg die in opdracht van het Centraal Eierbureau in Amersfoort heeft geleverd aan de gemeente Amsterdam.

De kern van het geschil is de "afkorting" (inhouding) op de uitbetaling vanwege schade en tekorten. Er zijn in totaal 3522 eieren in mindering gebracht onder de categorieën kneuseieren, breuk ("stukken"), uitgeschoten (afgekeurde) eieren en een feitelijk tekort. Na aftrek van een standaardmarge van 2% (1440 eieren) die voor rekening van de gemeente komt, blijft er een netto korting over van 2082 eieren.

De schrijver zet met name vraagtekens bij de 1188 "stukken". Hij voert een logisch argument aan: indien er zoveel eieren kapot waren dat ze leegliepen ("uitloopers"), dan hadden er zichtbare plassen onder de kisten moeten liggen. Bovendien stelt hij dat zelfs kapotte eieren nog een restwaarde vertegenwoordigen en niet als volledig waardeloos beschouwd mogen worden. De toon is zakelijk maar kritisch ten aanzien van de keuring door de ontvangende partij in Amsterdam.

Historische Context

Dit document stamt uit augustus 1916, midden in de Eerste Wereldoorlog. Hoewel Nederland neutraal was, had de oorlog een enorme impact op de voedselvoorziening en handel. De overheid stelde centrale organen in, zoals het genoemde "Eierbureau" in Amersfoort, om de distributie en prijzen van schaarse goederen te reguleren en de export te controleren.

De gemeente Amsterdam trad in deze periode vaak op als grootschalig inkoper van levensmiddelen om de stedelijke bevolking van voedsel te voorzien tegen gereguleerde prijzen. Het document geeft een inkijkje in de logistieke uitdagingen van die tijd: het transport van tienduizenden kwetsbare producten per spoor of boot, de bureaucratische afhandeling via diverse instanties (zoals de T.P.N., vermoedelijk een transport- of keuringsinstantie), en de onvermijdelijke discussies over kwaliteitscontrole en schadeclaims bij aankomst.

Kooplieden in dit dossier 1

M.A.Sieverts Waterlooplein 2