Archief 745
Inventaris 745-284
Pagina 497
Dossier 27
Jaar 1939
Stadsarchief

Ambtelijke notitie / Brief

10 maart 1939 (A'dam 10-3-'39) Van: Onduidelijk (mogelijk Veenhoff of Hennhoff)

Origineel

Ambtelijke notitie / Brief 10 maart 1939 (A'dam 10-3-'39) Onduidelijk (mogelijk Veenhoff of Hennhoff) No 33/11/1 M 1939

Aan den Inspecteur
vh Marktwezen
alhier.

De marktkoopman J. de Beer
heeft naar aanleiding van een dokters advies
uitstel tot het bezoeken der markt gekregen.
Ook is hem toegestaan dat zijn
zoon hem gedurende dit uitstel mag
vervangen. De klacht van plh No 242
Westerman J Aachen is m.i. ongegrond.

A'dam 10-3-'39 [Handtekening] Het document is een kort, zakelijk schrijven binnen de ambtelijke hiërarchie van de Amsterdamse marktdienst. De kern van de boodschap is tweeledig:
1. Toestemming voor afwezigheid: Marktkoopman J. de Beer heeft op medisch advies tijdelijk uitstel gekregen van zijn plicht om op de markt aanwezig te zijn. Gedurende deze periode mag zijn zoon zijn plaats innemen.
2. Afwijzing klacht: Er wordt verwezen naar een klacht van een zekere Westerman J. Aachen (plaatshebber nummer 242). De schrijver van de notitie oordeelt dat deze klacht "mijns inziens" (m.i.) ongegrond is, waarschijnlijk omdat de afwezigheid van De Beer reglementair is afgedekt door het doktersadvies en de verleende toestemming.

Het handschrift is een vlot, enigszins cursief kantoorschrift uit het interbellum, kenmerkend voor ambtelijke correspondentie uit die tijd. In 1939 was de reglementering op de Amsterdamse markten streng. Marktkooplieden waren in principe verplicht om persoonlijk op hun standplaats aanwezig te zijn. Afwijkingen hiervan, bijvoorbeeld door ziekte, moesten officieel worden goedgekeurd door de Inspecteur van het Marktwezen, vaak op basis van een medische verklaring.

Het feit dat een andere koopman (Westerman J. Aachen) een klacht indiende, wijst op de onderlinge concurrentie en de strikte controle op de naleving van de marktregels door de kooplieden zelf. Het document dateert van vlak voor de Duitse inval in Nederland, een periode waarin de administratieve molens van de gemeente Amsterdam nog op volle toeren draaiden volgens de geldende democratische en bureaucratische normen.

Samenvatting

Het document is een kort, zakelijk schrijven binnen de ambtelijke hiërarchie van de Amsterdamse marktdienst. De kern van de boodschap is tweeledig:
1. Toestemming voor afwezigheid: Marktkoopman J. de Beer heeft op medisch advies tijdelijk uitstel gekregen van zijn plicht om op de markt aanwezig te zijn. Gedurende deze periode mag zijn zoon zijn plaats innemen.
2. Afwijzing klacht: Er wordt verwezen naar een klacht van een zekere Westerman J. Aachen (plaatshebber nummer 242). De schrijver van de notitie oordeelt dat deze klacht "mijns inziens" (m.i.) ongegrond is, waarschijnlijk omdat de afwezigheid van De Beer reglementair is afgedekt door het doktersadvies en de verleende toestemming.

Het handschrift is een vlot, enigszins cursief kantoorschrift uit het interbellum, kenmerkend voor ambtelijke correspondentie uit die tijd.

Historische Context

In 1939 was de reglementering op de Amsterdamse markten streng. Marktkooplieden waren in principe verplicht om persoonlijk op hun standplaats aanwezig te zijn. Afwijkingen hiervan, bijvoorbeeld door ziekte, moesten officieel worden goedgekeurd door de Inspecteur van het Marktwezen, vaak op basis van een medische verklaring.

Het feit dat een andere koopman (Westerman J. Aachen) een klacht indiende, wijst op de onderlinge concurrentie en de strikte controle op de naleving van de marktregels door de kooplieden zelf. Het document dateert van vlak voor de Duitse inval in Nederland, een periode waarin de administratieve molens van de gemeente Amsterdam nog op volle toeren draaiden volgens de geldende democratische en bureaucratische normen.

Locaties

Amsterdam