Statistische rapportage / Gemeentelijk jaarverslag (economische geografie).
Personen op deze lijst
De parser heeft deze regels uit de scan gehaald. Gekoppelde personen linken door naar hun dossier.
Transcriptie
Statistische rapportage / Gemeentelijk jaarverslag (economische geografie). [Pagina 4]
4
De veehouderij bestaat hier overwegend uit bedrijven van z.g. consumptiemelkers; de melk vindt haar afzetgebied uitsluitend of nagenoeg uitsluitend in het stadsgedeelte der gemeente, voor een belangrijk deel door middel van de groote melkinrichtingen, voor een ander deel door slijters, terwijl enkele zoetboeren zelf uitventen. Levering op vetgehalte, zooals bij verkoop aan zuivelfabrieken regel is, komt dus slechts bij uitzondering voor, zoodat de prikkel tot het aanbrengen van bedrijfsverbeteringen gering is en het bedrijf dan ook, zoowel wat het gehalte van den veestapel als de methode van melkwinning betreft, over het algemeen nog geen hoogen trap van ontwikkeling heeft bereikt.
De pluimveehouderij is als zelfstandig bedrijf in Amsterdam slechts van zeer geringe beteekenis en alleen in de tabellen 11 en 13 opgenomen. De tabellen 12 en 14 t.m. 16 hebben dus alleen op de rundveehouderij en varkensfokkerij betrekking.
Hoewel in deze gemeente ook bloemisterij voorkomt, bestaat de tuinbouw toch hoofdzakelijk uit groenteteelt, uitgeoefend door over het algemeen weinig kapitaalkrachtige bedrijfjes. Zij heeft zich voornamelijk op het kweeken van de fijnere groenten toegelegd, als sla, spinazie, bloemkool, andijvie, postelein, en als wintergewassen selderij, peterselie en prei, terwijl sla (vroege), komkommers en augurken de voornaamste voortbrengselen der hier zeer verbreide glascultuur vormen. Van laatstgenoemde producten alsmede van de wintergewassen wordt, door middel van een daartoe door de tuinders opgerichte exportvereeniging, veel naar het buitenland (Duitschland en Engeland) uitgevoerd; overigens is echter de plaatselijke markt het voornaamste afzetgebied.
Zooals uit tabel 1 blijkt, omvat de oppervlakte grond in gebruik bij landbouwbedrijven, 8593,45 H.A. Hierbij moet nog 16,60 H.A. grasland worden gevoegd, die in gebruik zijn bij andere dan landbouwbedrijven, zoodat de geheele oppervlakte landbouwgrond in Amsterdam 8610,05 H.A. beslaat.
In 1921 omvatte deze 8692,75 H.A. + 43,40 H.A. van andere dan landbouwbedrijven, derhalve 8736,15 H.A. Er is dus een achteruitgang van 126,10 H.A., een gevolg van de stadsuitbreiding.
Tabel 2 geeft een algemeen overzicht van het aantal over grond beschikkende landbouwbedrijven (behalve die, welke als nevenbedrijf worden uitgeoefend) alsmede hun oppervlakte ¹), zoowel naar hun verdeeling over de verschillende takken van het landbouwbedrijf als naar hun verspreiding over het grondgebied der gemeente.
Uit de cijfers blijkt, dat de veeteeltbedrijven bijna 66 % van de oppervlakte omvatten; daarna komen de akkerbouwbedrijven met bijna 26 %, de gemengde bedrijven met 4 ½ % en de groenteteelt met 4 %. Wat het aantal bedrijven aangaat behooren ruim 53 % tot de veehouderij, bijna 8 % tot den akkerbouw, ruim 1 % tot de gemengde bedrijven en ruim 34 % tot de groenteteelt. Aangezien de pluimveehouderij en de bloemisterij, zoowel als het gemengd bedrijf van weinig beteekenis zijn, kan men zeggen, dat het agrarisch bedrijf in deze gemeente uit akkerbouw, veehouderij en groenteteelt bestaat en dat, althans bezien uit het oogpunt van aantal en oppervlakte der bedrijven, de veehouderij den voornaamsten bedrijfstak vormt.
De akkerbouw beslaat het kleigebied der gemeente en concentreert zich dus, zooals duidelijk uit genoemde tabel blijkt, in hoofdzaak in het Noord-Westelijke deel der gemeente met de Groote-IJpolder als middelpunt en aan den overkant van het IJ, in den Noorder-IJpolder, welke geologisch een voortzetting is van het kleigebied aan de zuidzijde van het IJ, terwijl ook de streek in het Zuid-Westen, de aan den Haarlemmermeerpolder aansluitende kleiachtige grond van den Lutkemeerpolder, akkerbouwgebied is.
De veehouderij en de tuinderij strekken zich over het overige gebied (hoofdzakelijk de veengronden) der gemeente uit. Met uitzondering van den Noorder IJpolder en een smalle strook klei langs het IJ onder Nieuwendam, vindt men benoorden het IJ uitsluitend veeteelt: 40 % der veehoudersbedrijven met ruim 43 % van de voor de veeteelt bestemden grond, bevinden zich in dit gebied.
De groenteteelt heeft zich, althans wat de meer intensief gedreven cultuur aangaat, in hoofdzaak in twee complexen samengetrokken, waarvan het grootste zich van den Sloterweg af in Noordelijke richting langs den rand van de nieuwe woonwijken uitstrekt en het andere zich ten Noord-westen van het dorp Sloten bevindt, nl. in den Akerpolder tusschen Ringvaart en Osdorperweg.
Wat nu de grootte der bedrijven betreft, uitgedrukt in het aantal H.A. waarover ze beschikken, zijn deze in een aantal klassen gerangschikt van welker toe- of afneming, zoowel naar aantal als oppervlakte, de volgende cijfers een overzicht geven.
¹) Hierbij zij er nog eens de aandacht op gevestigd, dat in de gegevens omtrent de oppervlakte nergens die van huis en erve begrepen zijn.
[Pagina 5]
5
| Aantal Nombre | Oppervlakte. Superficie | |||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 1921 | 1930 | Toe- of afn. in % van 1921 Accroiss. ou décroiss. en % | 1921 | 1930 | Toe- of afn. in % van 1921 Accroiss. ou décroiss. en % | |
| Geen grond Sans terres.. | 161 | 72 | — 55,3 | — | — | — |
| — 1 H.A. ......... | 29 | 190 | + 555,2 | 16,34 H.A. | 114,55 H.A. | + 601,1 |
| 1— 5 „ ......... | 177 | 260 | + 46,9 | 369,40 „ | 466,77 „ | + 26,3 |
| 5—10 „ ......... | 109 | 83 | — 23,9 | 776,23 „ | 599,47 „ | — 22,8 |
| 10—20 „ ......... | 199 | 190 | — 4,5 | 2919,91 „ | 2790,87 „ | — 4,2 |
| 20—30 „ ......... | 90 | 88 | — 2,2 | 2118,83 „ | 2112,49 „ | — 0,3 |
| 30—40 „ ......... | 26 | 32 | + 23,1 | 870,19 „ | 1092,— „ | + 25,5 |
| 40—50 „ ......... | 15 | 15 | — | 643,— „ | 653,15 „ | + 1,6 |
| 50—60 „ ......... | 11 | 5 | — 45,6 | 593,60 „ | 271,63 „ | — 54,2 |
| 60—70 „ ......... | 2 | 3 | + 50,— | 130,25 „ | 197,40 „ | + 51,6 |
| 70 H.A.— ......... | 3 | 4 | + 33,3 | 255,— „ | 295,13 „ | + 15,7 |
| Alle bedrijven samen¹).. Ensemble | 661 | 870 | + 31,6 | 8692,75 „ | 8593,45 „ | — 1,2 |
Het zou evenwel onjuist zijn uit dergelijke alle bedrijfstakken omvattende en deze dus als gelijke aannemende cijfers gevolgtrekkingen omtrent veranderingen in den bedrijfsomvang der ondernemingen te maken. Daarbij zou immers bijv. een tuinbouwbedrijf van 3 H.A. bezet met warenhuizen, zooals in het Westland voorkomt, gelijk worden gesteld met het bedrijf van een keuterboertje, terwijl het in economisch opzicht in rang bij het grootbedrijf in akkerbouw of veehouderij wel niet zal achterstaan. Men moet dus in dit opzicht elken bedrijfstak afzonderlijk beschouwen, zooals in het tweede deel (b) dezer § dan ook is geschied. Hoe noodzakelijk dit is, blijkt uit het volgende:
Berekent men uit bovenstaande cijfers de gemiddelde grootte per bedrijf, dan krijgt men voor 1921 10,57 H.A. en voor 1930 9,12 H.A. Beschouwt men daarnaast echter de hier volgende cijfers van de gemiddelde grootte per bedrijf van de voornaamste bedrijfstakken afzonderlijk, dan krijgt men een gansch ander beeld:
Gemiddelde grootte per bedrijf. Etendue moyenne par entreprise.
| 1921 | 1930 | ||
|---|---|---|---|
| Akkerbouw .......... | 26,89 H.A. | 32,55 H.A. | .......... Labourage |
| Veehouderij .......... | 11,43 „ | 12,32 „ | .......... Elevage. |
| Tuinbouw ............ | 1,52 „ | 1,13 „ | .......... Horticulture. |
| Alle bedrijven te samen .... | 10,57 „ | 9,12 „ | .......... Ensemble. |
Zoowel in den akkerbouw als in de veeteelt is de bedrijfsgrootte dus toegenomen, slechts in den tuinbouw verminderd. Voor nadere bijzonderheden hieromtrent moge worden verwezen naar het reeds genoemde tweede deel dezer §, de bespreking van de afzonderlijke bedrijfstakken.
Het aantal als hoofdbedrijf uitgeoefende land- en tuinbouwbedrijven was niet onbelangrijk grooter dan in 1921, hoewel, zooals reeds werd opgemerkt, de totale oppervlakte van de voor land- en tuinbouw bestemden grond sinds dat jaar geringer werd. Zooals uit onderstaande cijfers van het aantal bedrijven in de afzonderlijke bedrijfstakken blijkt, wordt de toeneming uitsluitend veroorzaakt door de belangrijke vermeerdering van het aantal (meest zeer kleine) tuinbouwbedrijven en vertoonen de andere zelfs een achteruitgang.
Aantal bedrijven. Nombre des entreprises.
| Akkerbouw. Labourage. | Veeteelt. Elevage. | Tuinbouw. Horticulture. | Gemengd. Entreprises mixtes. | Totaal. Total. | |
|---|---|---|---|---|---|
| 1921 .......... | 82 | 499 | 103 | 15 | 699 |
| 1930 .......... | 68 | 467 | 310 | 11 | 865 |
De achteruitgang van de totale, voor land- en tuinbouw bestemde, oppervlakte, is hoofdzakelijk ten koste van het gemengd bedrijf en de veehouderij gegaan, welke in vergelijking met 1921 met resp.
¹) Buiten de bedrijven zonder grond. * Economische Verschuiving: Het document legt een duidelijke transitie vast in de agrarische structuur van Amsterdam tussen 1921 en 1930. Terwijl de traditionele veeteelt en akkerbouw qua oppervlakte dominant bleven, was er een explosieve groei in het aantal tuinbouwbedrijven (van 103 naar 310).
* Intensivering vs. Extensivering: De archivaris merkt scherp op dat statistieken over oppervlakte misleidend kunnen zijn. Een klein tuinbouwbedrijf met kassen ("warenhuizen") kan economisch belangrijker zijn dan een groot extensief akkerbouwbedrijf.
* Stedelijke Druk: Er wordt expliciet melding gemaakt van een afname van de totale landbouwgrond met 126,10 hectare als direct gevolg van "stadsuitbreiding". Dit illustreert de groei van Amsterdam in de jaren '20.
* Specialisatie: De veeteelt wordt gekarakteriseerd door "consumptiemelkers" die direct aan de stad leveren, wat wijst op een vroege vorm van stedelijke voedselvoorziening (korteketen-economie avant la lettre). Dit document stamt uit een periode waarin de gemeente Amsterdam grote territoriale uitbreidingen onderging (zoals de annexatie van omliggende gemeenten in 1921, waaronder Sloten en Nieuwer-Amstel). De genoemde locaties — Groote-IJpolder, Noorder-IJpolder, Lutkemeerpolder, Sloten en de Osdorperweg — vormen de toenmalige agrarische periferie die nu grotendeels is bebouwd (o.a. Amsterdam-West en Nieuw-West). De statistieken weerspiegelen de spanning tussen de noodzaak voor voedselproductie nabij de stad en de behoefte aan bouwgrond voor nieuwe woonwijken (de "rand van de nieuwe woonwijken" wordt letterlijk genoemd op pagina 4). De duale taal (Nederlands/Frans) in de tabellen was in die tijd gebruikelijk voor officiële statistische publicaties om internationale vergelijking mogelijk te maken.
Samenvatting
- Economische Verschuiving: Het document legt een duidelijke transitie vast in de agrarische structuur van Amsterdam tussen 1921 en 1930. Terwijl de traditionele veeteelt en akkerbouw qua oppervlakte dominant bleven, was er een explosieve groei in het aantal tuinbouwbedrijven (van 103 naar 310).
- Intensivering vs. Extensivering: De archivaris merkt scherp op dat statistieken over oppervlakte misleidend kunnen zijn. Een klein tuinbouwbedrijf met kassen ("warenhuizen") kan economisch belangrijker zijn dan een groot extensief akkerbouwbedrijf.
- Stedelijke Druk: Er wordt expliciet melding gemaakt van een afname van de totale landbouwgrond met 126,10 hectare als direct gevolg van "stadsuitbreiding". Dit illustreert de groei van Amsterdam in de jaren '20.
- Specialisatie: De veeteelt wordt gekarakteriseerd door "consumptiemelkers" die direct aan de stad leveren, wat wijst op een vroege vorm van stedelijke voedselvoorziening (korteketen-economie avant la lettre).
Historische context
Dit document stamt uit een periode waarin de gemeente Amsterdam grote territoriale uitbreidingen onderging (zoals de annexatie van omliggende gemeenten in 1921, waaronder Sloten en Nieuwer-Amstel). De genoemde locaties — Groote-IJpolder, Noorder-IJpolder, Lutkemeerpolder, Sloten en de Osdorperweg — vormen de toenmalige agrarische periferie die nu grotendeels is bebouwd (o.a. Amsterdam-West en Nieuw-West). De statistieken weerspiegelen de spanning tussen de noodzaak voor voedselproductie nabij de stad en de behoefte aan bouwgrond voor nieuwe woonwijken (de "rand van de nieuwe woonwijken" wordt letterlijk genoemd op pagina 4). De duale taal (Nederlands/Frans) in de tabellen was in die tijd gebruikelijk voor officiële statistische publicaties om internationale vergelijking mogelijk te maken.